06-10-07

Joodse historie in Rusland

In 2002 verscheen bij uitgeverij Fayard het opzienbarende werk van Aleksandr Solzjenitsyn over de Joden in Rusland voor de revolutie van 1917, en in deel II tijdens en na de sovjetperiode. Om politieke redenen is aan de uitgave geen ruchtbaarheid gegeven, waardoor velen niet eens van het bestaan van dit immense werk afweten. Maar geen enkele toekomstige historische studie over Rusland en de revolutie van 1917 kan dit boek, onderkoeld geschreven en vrij van elke zweem van antisemitisme, negeren.

Zowel voor Solzjenitsyn zelf als voor de schrijver en uitgever van dit overzicht is het Joodse volk door God uitverkoren en vormt het de stam waarop het christendom in het algemeen en de katholieke kerk in het bijzonder verder zijn gegroeid. Maar zij willen weten en begrijpen wat er is gebeurd en, in de woorden van Solzjenitsyn, voorkomen dat wat er is gebeurd, in de taboesfeer wordt getrokken. Zij hopen ook dat een belangwekkend onderwerp bespreekbaar blijft en niet wordt misbruikt om haat en onrust te zaaien, ook al zijn de Joodse identiteit en het Joodse verhaal historisch erg beladen. Voor een goed begrip is kennis van de Talmoed en/of het Oude Testament vereist. Joden zijn ervan overtuigd dat ze het uitverkoren volk zijn en boven alle andere volken en rassen staan. Dit religieus, historisch besef verklaart feiten in het heden en in het verleden en vormt de Joodse psyche.

Ernest Renan (1823-1892) schrijft dat het Joodse volk vanaf het begin “de zuurdesem is van de niet-Joden, temidden van wie wij leven” (II, p. 27), het Joodse volk als katalysator. Solzjenitsyn voegt eraan toe dat een opbloeiende staat of maatschappelijke sector Joden aantrekt en opnieuw afstoot zodra de neergang zichtbaar wordt en de bloei voorbij is. Deze neiging is typisch (II, p. 28). Het Joodse messianisme en het gewilde voortbestaan als volk temidden van andere volken, de indertijd gewenste aparte woonwijken, de Joodse beperkingen bij gemengde huwelijken ondanks 2000 jaar diaspora, komen hieruit voort. Zonder hun religieus gestructureerde identiteit bestaat het Joodse volk niet. Hier volgen enkele cijfers ter illustratie. Rond 1900 leefden er in Rusland 6 miljoen Joden op een Russisch-sprekende bevolking van 100 miljoen. De totale bevolking van het tsaristische Rusland bedroeg 170 miljoen. In het toenmalige Polen woonde 3,5 miljoen Joden op een bevolking van 25 miljoen. Wereldwijd waren er ongeveer 14 miljoen Joden, waarvan 2 miljoen in de VS. Met 9,5 miljoen vormden de Oost-Europese Joden in die tijd veruit de grootste Joodse bevolkingsgroep van de diaspora.

Als derde kenmerk draagt Solzjenitsyn aan dat de opeenvolgende tsaren de Russische Joden zeer welgezind waren. Mits de Joden als bevolkingsgroep zich aan de regels hielden (vooral het wonen in aangewezen gebieden, of in sommige gevallen een numerus clausus aan universiteiten), werd hen noch op economisch vlak, noch in het beleven van de Joodse religie geen strobreed in de weg gelegd. De Joodse ondernemingszin en de buitenlandse contacten waren goed voor de Russische economie en in sommige opzichten, zoals bij de graanhandel en de wodkastokerijen, ook goed voor de Russische belastingopbrengsten. Maar Joden zijn stadsmensen en de verplichte woongebieden, opgelegd door opeenvolgende tsaristische regeringen, wekten weerstand. Ook is het niet gelukt om de Joden in de landbouw aan het werk te krijgen.

In februari 1917, aan de vooravond van de Russische Oktoberrevolutie, werden de veiligheidsmaatregelen om te voorkomen dat grote steden zoals Odessa (30 %) door Joden zouden worden gedomineerd, door de regering Kerenski opgeheven. Solzjenitsyn wijst erop dat de Joodse intelligentsia er tijdens de laatste decennia voor de revolutie in slaagde om hun afkeer van het tsaristische bewind over te dragen op de toenmalige Russische elite. Dit betekent niet dat de Russen de radicale minderheid van bolsjewieken steunden of hebben aangestuurd op de Oktoberrevolutie, maar toch acht hij dit gegeven belangrijk. De Oktoberrevolutie van 1917, voornamelijk het werk van Joodse revolutionairen en linkse intellectuelen zoals de bolsjewieken, was ook het werk van Russen. Daarnaast kregen de revolutionairen reeds vanaf de eerste jaren na de eeuwwisseling politieke en financiële steun van o.m. Britse en Amerikaanse bankiers zoals Jacob Schiff, maar of zij de Oktoberrevolutie ook daadwerkelijk hebben gefinancierd, laat Solzjenitsyn in het midden.

Het begin

De eerste grote groepen Joden vestigden zich in het jaar 72 na Christus via Perzië in het gebied van de beneden-Wolga. In de loop der eeuwen bekeerden de volken rondom hen zich tot het jodendom. In de 7e eeuw vormden zij een groot rijk, vanaf de Oeral tot aan de Dnjepr, met Itil als hoofdstad. In het jaar 966 werden ze onderworpen door prins Sviatoslav van Kiev. In 969 bezetten de Russen de stad Itil en het benedengebied van de Wolga. Toen zijn grote groepen Joden naar het westen en noordwesten getrokken. De latere Russische Joden zijn afkomstig uit de Kaukasus en de gebieden rond de Zwarte Zee. In de 9e en 10e eeuw werd Kiev een internationaal centrum met een grote Joodse gemeenschap. Het christendom deed zijn intrede en vele Russen en ook Joden bekeerden zich. Een van de eerste Russische bisschoppen, de schrijver Luc Jidiata, is afkomstig uit de Joodse gemeenschap van Kiev. Christenen en Joden leefden vreedzaam naast elkaar tot in 1113 in Kiev oproer ontstond bij de troonsbestijging van prins Vladimir. De Joodse wijk werd geplunderd door de Russen, als wraak voor het handelsmonopolie en de woekerrente (tot 50 %). Vladimir heeft een eind gemaakt aan de opstand, de Joden in bescherming genomen en de rentevoeten aan banden gelegd.

In 1239, met de invasie van de Tataren en de verwoesting van Kiev, is een deel van de Joden naar Polen getrokken. De achtergebleven Joden wisten snel het vertrouwen van de nieuwe heersers te winnen. Het handelsmonopolie en de woekerrente veroorzaakten opnieuw opstanden en plunderingen, maar de nieuwe heersers herstelden de orde.

In de 15e eeuw waren de Joden in Kiev welvarende belastingophalers. In de 15e en 16e eeuw keerde een deel van de Joden terug uit Polen en Litouwen en vestigde zich in Kiev, Minsk, Smolensk, Moskou en Polatsk.

In 1470 echter slaagde een groep Joden uit Novgorod erin om twee priesters, Alexis en Demis, te bekeren tot het jodendom. Zij kregen veel aanhangers. Het succes van de nieuwe sekte lag in het bestuderen van de kabbala, een gnostische ‘wetenschap’ die antwoord geeft op vragen betreffende de natuur, astrologie, mysterieuze verhalen, de toekomst en tenslotte het vermogen om geesten te bevelen. De sekte effende het pad voor een liberale stroming en drong door tot bij de tsaar en de top van de orthodoxe kerk. Het concilie dat aartsbisschop Gennadi van Novgorod bijeenriep in 1490, maakte hier een eind aan. De sekteleiders werden ter dood veroordeeld, maar tsaar Ivan III verleende gratie omwille van de Joodse goodwill en zette hen gevangen.

De aartsbisschop liet de eerste Slavische bijbel uitgeven ter ondersteuning van de opvoeding van de jeugd. Een eeuw later was die bijbel nog steeds in gebruik, maar de liberale tendensen waren niet verdwenen, noch was er sprake van antisemitisme. Vanaf de 13e tot de 18e eeuw ontstond in Polen een grote Joodse gemeenschap. Deze vormde in de 20e eeuw de grootste Joodse gemeenschap ter wereld. In de 16e eeuw eiste de Poolse koning Sigismund-August van tsaar Ivan de Verschrikkelijke voor de Joden vrije toegang tot Rusland. Tsaar Ivan wilde “noch onrust noch kwalijke praktijken” in Rusland binnenhalen.

Als gevolg van economische uitbuiting en koloniale wantoestanden brak in 1648 in het rijke en welvarende Oekraïne een opstand uit tegen de Joden en de katholieke Poolse adel die er de dienst uitmaakten. Net als in Polen, waar de Joden het openbare leven beheersten, stonden de Joden in Oekraïne ook ten dienste van machthebbers en grootgrondbezitters. De uitbuiting van de boeren betrof niet alleen de pacht, maar ook het heffen van belasting op het dopen van kinderen. De boerenbevolking was woedend en er vielen tienduizenden Joodse slachtoffers.

In de tweede helft van de 17e eeuw verzwakten de migratieregels en drongen Joden door tot in Moskou. In de 18e eeuw domineerden de Joden het distilleren en de handel in wodka. Maar bij het begin van de 18e eeuw wilde tsaar Peter de Grote (1702), die geleerden en deskundigen wilde aantrekken, Rusland afsluiten voor de Joden. Hij wilde ‘het kwaad’ geen kans geven. Er zijn geen aanwijzingen dat tsaar Peter ook daadwerkelijk tot Jodenvervolging is overgegaan of hun rechten heeft ingeperkt. Integendeel, de Joden kregen invloed tot in de hoogste politieke kringen. Zij maakten zich onmisbaar en het aantal Joden in Rusland groeide gestaag.

Ook tsarina Elizabeth (1741) slaagde er niet in om de Joden uit Rusland te verdrijven. De staat had te veel economische belangen bij de Joodse ondernemers. Catharina de Grote (1762-1796) was de Joden zeer welgezind, maar moest ondergronds opereren om de officiële wetten te omzeilen. Ze voerde een activistische bevolkingspolitiek om Nieuw Rusland, het gebied tussen de Krim en Moldavië, te bevolken met Joden uit o.a. Polen en Litouwen.

Solzjenitsyn verwondert zich over het vermogen van Joden om in turbulente tijden toch zichzelf te blijven. Deze kracht wijt hij aan de Joodse religie en drastische maatregelen zoals het verbod te huwen met niet-Joden. Paradoxaal genoeg, stelt Solzjenitsyn, oogsten andere volken die dit opleggen geen respect, maar krijgen zij het stigma nationalistisch opgeplakt. In 1772 veroverde Rusland het oostelijke deel van Polen, Wit-Rusland, waar 100.000 Joden woonden. Catharina de Grote gaf de Joden vrije toegang tot heel Rusland en Oekraïne. Ook kregen de Joden dezelfde burgerrechten als de Russen en de andere inwoners van het immense rijk. Ze werden opgenomen in het Russische klassenstelsel. In enkele opzichten kregen ze zelfs meer rechten dan de autochtone boeren, handelslieden of bourgeois Russen die in de steden moesten wonen. Ondanks pogingen in 1783-1790 om beperkingen op te leggen, mochten de Joden, met het oog op de handelsactiviteiten en de wodkastokerijen, wonen waar ze wilden. De staat en de autochtone landbezitters profiteerden daarvan.

In 1790 nam de autochtone druk toe om Joodse handelaars uit de grote steden (Moskou, Sint-Petersburg) te bannen als gevolg van ‘oneerlijke’ praktijken en dominantie in de handel. Ze moesten in Wit-Rusland gaan wonen. In 1791 vaardigde de tsarina het decreet uit dat tot aan de revolutie van 1917 de basis zou blijven voor de door de regering opgelegde Joodse residentiebeperkingen en waartegen het verzet sterk zou toenemen. In 1793 en 1795 veroverde Rusland grote delen van Polen en Litouwen. De tsarina kreeg er één miljoen Joden bij, een voor die tijd ongekend groot aantal. In 1794 nam ze drastische maatregelen om woonconcentraties van Joden in kwetsbare gebieden, vooral Wit-Rusland, te vermijden. De Joden moesten in de steden gaan wonen ter bescherming van de pachters die werden uitgebuit of tot verslaving gebracht en aan alcoholisme ten onder gingen. Om de maatregel wat te verzachten, werden de dorpen opnieuw ingedeeld. Voorts moesten de Joden een dubbele belasting betalen. De uitbuiting en de kwetsbare leefomstandigheden van de pachters in Wit-Rusland was echter niet alleen te wijten aan de dominantie van de Joden in handel en nijverheid, maar ook aan de Russische en Poolse landbezitters, hoewel deze zichzelf met een verzwakte boerenstand ook in de vinger sneden.

Aan het eind van de 18e eeuw werden diverse pogingen ondernomen om van de Joden autochtone burgers met een productief beroep te maken. Maar er was geen continuïteit en het systeem wisselde te vaak. Joden waren over het algemeen stadsmensen. In tegenstelling tot het succes van het moderne Israël, strandden pogingen om Joden als landbouwer aan land te binden. De Joden konden zich veelal handhaven in de handel, de wodkastokerijen of in kleine beroepen omdat de bezittende Russische of Poolse klasse en de staat daar een economisch belang bij hadden. Het gelag werd echter betaald door de ongeschoolde, analfabete pachters. Maar als ze in opstand kwamen, wreekten ze zich op de Joden.

1905–1907: aanloop tot de revolutie

In het begin van de twintigste eeuw werd Rusland gekweld door socialistische, revolutionaire bewegingen, zoals de Bund. Deze werden vooral gesteund door talrijke Joodse jongeren, van wie de meesten zich aan de militaire dienstplicht onttrokken. Het burgerlijk gezag was verzwakt, vooral door de zeeoorlog tegen Japan, maar ook door de slapheid en ongemotiveerdheid van burgerlijke en militaire gezagsdragers. Japan had de oorlog met Amerikaanse (Joodse) financiële steun gewonnen. Vele gezagsdragers waren tijdelijk benoemd, en absenteïsme en corruptie tierden welig. Het tsaristische regime was van binnenuit verzwakt en liep op zijn laatste benen. Daartegenover stond een steeds sterker wordende revolutionaire beweging van “het Joodse volksdeel, solidair in de haat tegen Rusland, ongeacht de middelen die ze willen inzetten” (nov. 1905, oprichting Unie van het Russische Volk). De administratieve autonomie van het hoger onderwijs versterkte de agitatie. De instellingen voor hoger onderwijs werden ‘vrijhavens’. Er werd zelfs geld ingezameld voor de aankoop van handvuurwapens, soms met steun van docenten. Individuen die daar niets te zoeken hadden, konden toch als ‘student’ toetreden. Universiteiten werden haarden van verzet en propaganda tegen de tsaar, de regering en de gevestigde orde. Getalsmatig was de invloed van Joodse jongeren groot en in een later stadium dominant.

De eerste bolsjewieken lieten van zich horen (Alex Schlichter). De regering deed concessies die door de revolutionairen als zwakheid werden gezien. Politie en leger richtten weinig uit. Het officiële rapport meldde dat de opstand in Kiev vooral een strijd was tussen de Russische en de Joodse middenstand. Joodse jongeren misdroegen zich tegen de tsaar, vernietigden zijn afbeeldingen, trokken standbeelden omver, verscheurden Russische vlaggen en vervingen deze door rode vlaggen. Zij verheugden zich ook over de verloren zeeoorlog tegen Japan, tartten Russische legereenheden, opende het vuur op hen vanuit de bezette Doema en vermoordden tsaristische functionarissen. Het verzet was gericht tegen het bewind van de tsaar die onder de Russische bevolking toch nog een zekere populariteit genoot. De wraakactie van de Russische burgers kon niet uitblijven.

Op 18 oktober werden in Kiev de Joodse middenstandswijken en de Joodse villa’s in de rijkere wijken geplunderd en vernield. Politie en leger bleven aanvankelijk passief. De gevestigde Joodse middenklasse had part noch deel aan de revolutie, maar ze had de eigen jeugd niet in de hand, evenals de Russische middenstand. De Joodse jongeren wilden een eigen vrijheid bevechten, zij wilden de ondergang van de tsaristische staat, zij wilden rechten, los van de standaard Russische burgerrechten. Hun Joodse ouders betaalden voor die mislukte revolutie een hoge tol. Daartegenover meldde het dagblad van Kiev dat ook Russische ouders hun kinderen niet onder controle hadden.

Na het herstel van de openbare orde enkele dagen later werd de balans opgemaakt. Er waren in Kiev 47 doden gevallen, waaronder 12 Joden, en 205 gewonden, waaronder een derde Joden. In beide kampen waren er slachtoffers te betreuren, maar de revolutie had de kloof tussen Russen en Joden aanzienlijk dieper gemaakt.

Odessa

In de havenstad Odessa verliep de revolutie van 15 juni 1905 niet anders. Wel telde de stad veel meer Joden: 30 % van de bevolking en een nog groter percentage onder de studenten. De onlusten startten in de haven, toen de militaire commandant 5000 opstandelingen op het haventerrein opsloot. Intussen was ook de pantserkruiser Potemkin op de rede verschenen. De opstandelingen gingen aan boord en kregen de bemanning zover dat enkele kanonnen richting stad werden afgeschoten. Ze eisten het vertrek van de militairen uit Odessa en de vrijlating van alle gevangenen. Uit angst voor een bombardement van de Potemkin op Odessa waagde de commandant het niet in te grijpen op het haventerrein. Tijdens de begrafenisstoet van een gevallen matroos namen de onlusten in de stad toe. Joodse jongeren kregen de overhand en radicaliseerden de opstand; ze eisten de ondergang van de tsaristische staat.

Intussen was de staat van beleg afgekondigd en de Potemkin moest de haven na vier dagen verlaten omdat een Russisch marine-eskader opstoomde om hem te neutraliseren. De zomer bleef verder kalm, maar op 27 augustus werd ook in Odessa de autonomie van het hoger onderwijs afgekondigd. Toen was het hek van de dam. Revolutionaire comités kwamen bijeen op de terreinen van de universiteit en kregen steun van de rector en sommige professoren. Honderden handvuurwapens werden aangekocht en toen de staat van beleg op 30 september werd opgeheven, radicaliseerde de opstand en groeide de aanhang aanzienlijk. Joodse jongeren vormden de harde kern. Na de omsingeling van de universiteit, om de orde te herstellen, werden in de stad barricaden opgericht en bij schietpartijen met het leger vielen 9 doden en 80 gewonden; 214 personen werden opgepakt, waaronder 197 Joden. Na de afkondiging van het regeringsmanifest voor meer burgerlijke vrijheden trokken politie en leger zich terug. De stad werd gedemilitariseerd en tegelijkertijd overgeleverd aan gewapende opstandelingen, vooral Joodse jongeren, maar ook Russische burgers. De eersten wilden de macht en zeiden dat ze de Russen gingen regeren. “Wij hebben jullie God gegeven, we gaan jullie nu ook een tsaar geven.” Joodse groepen jongeren terroriseerden de stad met rode vlaggen en belegerden zelfs politiebureaus.

Op 18 oktober probeerde een menigte Joodse jongeren een fabriek in Guen plat te leggen door de arbeiders te overhalen te staken. Toen ze weigerden hierop in te gaan, werden diezelfde arbeiders later op de dag gedwongen op straat hun hoofddeksel af te nemen voor de rode vlaggen. Er ontstonden gevechten tussen de gewapende jongeren en de ongewapende arbeiders. Toch kregen deze laatsten de overhand. Maar gewapende steun kwam van een toesnellende Joodse menigte van 1000 demonstranten. Deze openden het vuur op de arbeiders waardoor 4 dodelijke slachtoffers vielen. Op diverse plaatsen in de stad ontstonden rellen en Russen van velerlei pluimage openden de jacht op de Joodse revolutionairen. Daarbij werden Joodse huizen en winkels geplunderd. De volgende dag kwam de reactie van de Russische bevolking op gang. Russische arbeiders, vaklieden en middenstanders, met iconen van heiligen en afbeeldingen van de tsaar, Russische vlaggen en religieuze liederen, demonstreerden op diverse plaatsen in de stad tegen de revolutionairen en tegen de Joden. De militaire commandant greep niet in. Hun woede richtte zich tegen de Joodse arrogantie en het misprijzen van de Russische natie. Zij waren apolitiek.

De revolutionairen schoten op de Russische tegenbetogers en gooiden bommen. Dagenlang werden Joodse bezittingen, huizen en winkels geplunderd en vernietigd. Er werd zelfs gemarteld en er vielen vele doden en gewonden. Het leger en de politie bleven afzijdig, totdat op 22 oktober de rust weerkeerde en de orde kon worden hersteld. Volgens politierapporten waren er 500 doden te betreuren, waaronder 400 Joden, en 289 gewonden, waaronder 237 Joden. Indertijd werden deze cijfers in het buitenland sterk opgeblazen. Ook is er geen enkele aanwijzing dat de wraak op de Joden door de tsaristische overheid zou zijn georganiseerd. De gewelddadigheden in Odessa waren naar Russische normen buitensporig. In het officiële verslag voor het Russische parlement wordt de schuld niet alleen aan de Joden toegeschreven. De civiele autoriteiten hadden veel vroeger krachtdadig en kordaat tegen de revolutionaire krachten moeten optreden. De militaire gouverneur Neudhart had zijn troepen niet op een precair moment van de straat mogen terugtrekken. Hij werd door de rapporteur voor de rechter gesleept en aangeklaagd voor wanbeleid.

Na Odessa was heel Rusland in de ban van revolutionaire bewegingen die het op de verzwakte tsaar en zijn regering van angsthazen hadden gemunt. De revolutionairen zouden niet meer verdwijnen. Er kwam zelfs Amerikaanse financiële hulp op gang. [Vanaf 1905 kregen o.a. Lenin, Trotski en Zinovjev financiële steun van Amerikaans-Joodse bankiers, JvR.] In 7 andere steden en nog meer dorpen in Wit-Rusland en Oekraïne werd ook Joods bezit geplunderd. Elders in Rusland werden 24 steden getroffen door rellen en plunderingen die niet alleen waren gericht tegen Joods bezit, maar ook tegen Russische revolutionairen. Maar de ordetroepen maakten korte metten. De schrijver Tolstoj die geen vriend was van de tsaristische regering, noemde de plunderingen, “de wil van een getart volk, het volk ziet het geweld van de revolutionaire jongeren en verzet zich”. Uit diverse bronnen blijkt dat de tsaar noch de regering ook maar iets te maken hadden met de plunderingen (pogroms) tegen de Joden.

De strijd voor de Joodse emancipatie eindigde met de Februarirevolutie in 1917. Het betrof o.a. de afschaffing van de verplichte woongebieden voor Joden, het volledig openstellen van onderwijsinstellingen, het deelnemen aan lokaal bestuur, het kopen van aandelen in ondernemingen, het deelnemen in publieke ondernemingen, het houden van huispersoneel, het bekleden van functies in het openbaar bestuur en het leger. De maatregelen golden ook voor de Amerikaans-Joodse migranten. De meeste Joden reageerden enthousiast op de doorbraak. Velen verhuisden naar de grote steden zoals Kiev, Moskou en Sint-Petersburg, de woonplaats van de tsaar. Een minderheid kon er niet aan wennen. De tsaar en zijn familie zaten in hechtenis. Maar de politieke doorbraak, een plan van de uit Russen bestaande regering Kerenski, veroorzaakte overal in het land politieke agitatie onder Joods-liberale voormannen. Door de Eerste Wereldoorlog ontaardde de agitatie in het land al spoedig in een permanente revolutie. Voor het eerst in de geschiedenis drongen vele Joodse functionarissen door tot in de hogere lagen van de zwakke Russische bestuurlijke elite. Door de oorlogsomstandigheden, het zwakke openbare bestuur, het ontbreken van urgentie en raison d’état binnen het tsaristisch bewind, en de zwakke leger- en politieleiding, konden de revolutionaire Joden zich steeds duidelijker manifesteren, zonder dat er zich een nieuwe machtsbalans kon vormen. Solzjenitsyn zoekt in deze structurele zwakte de oorzaak van de Februarirevolutie: Russisch onvermogen tegenover Joodse agitatie.

Het voorjaar en de zomer van 1917 waren een grijs niemandsland dat met de Oktoberrevolutie verder radicaliseerde. De machtsgreep van de radicale elementen in oktober 1917 betroffen liberale, geseculariseerde Joden en linkse, kosmopolitische Russen. Beiden hadden een hartgrondige hekel aan het tsaristische bewind, maar de Joden waren radicaler en hun haat zat dieper.

Dit verschil van invalshoek hebben de Russen onderschat. Het Revolutionaire Comité van Sint-Petersburg, de schaduwregering in het voorjaar en de zomer van 1917, bestond uit een dertigtal personen wier namen onbekend waren bij het publiek. Naast 25 % Polen, Letten en Kaukasiërs was minder dan een kwart Russisch, terwijl de Joodse socialisten meer dan de helft van het Comité uitmaakten. Solzjenitsyn legt de fout bij de Russen, zij keken toe.

Om aan de financiële nood het hoofd te kunnen bieden, schreef de Russische regering Kerenski een lening uit waarop massaal door Russische Joden en Amerikanen, zoals de Duits-Amerikaanse bankier Jacob Schiff en de Britse bankier Rothschild, werd ingeschreven. Ook vele Russische Joden engageerden zich in de linkse politieke bewegingen en in de officiersrangen van het leger. Uit Noord-Amerika kwamen steunbetuigingen van de 2 miljoen Joden. In die kringen werd het tsaristisch bewind al jarenlang onder vuur genomen. Enkele honderden Amerikaanse Joden emigreerden naar Rusland. Trotski profiteerde van dit Amerikaans-Joods engagement. Na zijn kort verblijf in de VS beschikte hij over een Amerikaans paspoort en keerde hij terug naar Rusland met een aanzienlijke som geld, vergezeld van 275 medestanders. In Londen stonden 10.000 Joden klaar om te emigreren. Velen van hen zouden een belangrijke rol spelen tijdens de Oktoberrevolutie en erna. Zij wilden allen de Joodse vrijheden in Rusland bevorderen en de contrarevolutionaire krachten bestrijden.

Het bolsjewisme kreeg hiermee een belangrijke impuls. Zij namen de redacties van de linkse kranten over en de rechtse pers werd verboden. Onder de contrarevolutionairen waren ook Joden die zich met Rusland identificeerden. Zij wilden geen chaos, zij wilden niet de talloze revolutionaire sovjets van boeren, arbeiders, vaklieden en soldaten die het land in handen hadden. Die sovjets waren echter niet representatief voor diegenen die zij vertegenwoordigden. De contrarevolutionairen streden tegen linkse krachten die de revolutie wilden verdiepen. Solzjenitsyn wijst erop dat de Joden de vele revolutionaire bewegingen niet domineerden, maar er wel prominent aanwezig waren. Naarmate de revolutie vorderde, kregen de Joodse revolutionairen de overhand in de revolutionaire organen. Toch heeft er gedurende het jaar 1917 geen pogrom plaatsgevonden.

Voorts telden de contrarevolutionaire krachten, naast Russen, ook vele Joden die niets van de revolutie wilden weten en de bolsjewieken (geleid door Trotski) vreesden. De Oktoberputsch was niet het werk van Joden alleen. Maar al spoedig sloten Joden zich bij de bolsjewieken aan en de revolutie kon zich uitbreiden en bestendigen. Solzjenitsyn wijst erop dat het niet om Joden gaat, maar om afvalligen en godloochenaars, zoals de autochtone Russische revolutionairen. Ook zij waren sterk anti-Russisch en antigodsdienstig. De grote Russische cultuur werd door hen ontworteld [zoals de Franse revolutionairen deden in 1789, JvR]. Desalniettemin mag geen enkel volk zijn renegaten wegdenken. Lenin, volgens Solzjenitsyn niet van Joodsen huize zoals Trotski, maar een autochtone Rus [een betwist standpunt, JvR], haatte Rusland en de orthodoxe religie. In 1921 heeft hij zelfs zijn eigen geboortestreek aan de Wolga uitgehongerd.

Onder de overige revolutionairen van het eerste uur waren een aanzienlijk aantal Joden. In 1907, tijdens het eerste congres van de bolsjewieken en mensjewieken in Londen waren er 160 Joden op 302 deelnemers. In 1917 telde de eerste Centrale Sovjet 3 Joden op 9 leden, de tweede Centrale Sovjet 4 Joden op 11 leden en op 10 oktober, toen het besluit viel voor de putsch van de bolsjewieken, 6 Joden op 12 leden (nl. Trotski, Zinovjev, Kamenev, Sokolnikov, Sverdlov, Oeritski). Trotski was de sterke man van de putsch, Lenin hield zich op de achtergrond. Op 24 oktober veroverde Trotski gewapenderhand Sint-Petersburg, huis voor huis.

Uit die Centrale Sovjet werd het eerste politbureau samengesteld: 4 Joden (Trotski, Zinovjev, Kamenev en Sokolnikov) op 7 leden. Solzjenitsyn stelt dat “het aantal (revolutionaire) afvallige Joden een te groot aantal stoelen van de bolsjewistische commissarissen bezet”. Lenin werd de architect van de bestendiging van de revolutie door de onvrede en frustraties van de grote massa Joden in centraal Rusland te gebruiken. De eerste maanden waren de revolutionaire coupplegers erg zwak. Vanaf januari 1918 kon de revolutie zich echter meester maken van de staatsorganen doordat talloze kundige Joden uit de intelligentsia de plek innamen van de Russische ambtenaren die de bolsjewieken vijandig gezind waren. Ze bestreden ook actief de contrarevolutionaire krachten. De nieuwe bestuurders van hun kant vonden steun bij lokale minderheden, zoals Letten, Polen en Hongaren, om de meerderheid van autochtone Russen eronder te kunnen houden of met de politie en geheime dienst te kunnen terroriseren.

Lenin zag in dat de Joden de redding van de revolutie waren. Duizenden trokken naar de steden om zich aan te sluiten bij de bolsjewieken, niet zozeer uit ideologie, maar uit Joods eigenbelang. De bolsjewieken werden namelijk gezien als betrouwbare, Joodsgezinde internationalisten die de revolutie konden bestendigen. De latere, nieuwe communistische elite kwam voort uit deze Joodse massabeweging die vele kundige bestuurders voortbracht. Het presidium na de Oktoberrevolutie telde 6 leden, waaronder 4 Joden (Sverdlov, Kamenev, Volodarski en Svétlov-Nakhamkis). Trotski was opperbevelhebber van het Rode Leger. Door kundig leiderschap kon de revolutie spoedig overgaan tot de opbouw van een nieuwe sovjetsamenleving. De jaren twintig waren het hoogtepunt van de Joodse ontplooiing in de Sovjet-Unie. In de jaren dertig onder Stalin begon, met de industrialisatieprogramma’s, de russificatie van de Sovjet-Unie. Met de opkomst van Hitler moest Stalin de staatsorganen ontdoen van Joodse bestuurders om het patriottisme onder de Russische massa te stimuleren ten behoeve van de onvermijdelijke oorlog. De grote massa Russen moest loyaal worden aan de sovjetstaat. Begin jaren veertig kwam de breuk met het internationale judaïsme. Joden en communisten werden gegrepen door angst en schaamte over de disproportionele deelname van de Joden aan de revolutie. De Joden trachtten zich te verdedigen door naar antisemitische intenties te verwijzen. Stalin had een obsessie voor het Joodse complot, de jaren vijftig waren sterk anti-Joods. Hij overleed in 1953, op het Poerimfeest (februari/maart, de redding van de Joden in Perzië door koningin Esther). Stalin is waarschijnlijk vermoord in opdracht van of met medeweten van zijn medewerker Lavrenti Beria. De Joodse artsen werden vrijgesproken van enige betrokkenheid.

In de jaren ’70 en ’80 kwam de algemene bewustwording op gang over de Joodse invloed op de Oktoberrevolutie. Solzjenitsyn stelt dat de Joodse betrokkenheid geen taboe mag worden, anders wordt de Oktoberrevolutie van 1917 onbespreekbaar. Hij wijst op de jaren dat de nieuwe sovjetmens trots was op zijn deelname. Zijn invloed oversteeg de staatsorganen, het betrof een massabeweging. In de jaren ’70 en ’80 weerklonk van Joodse zijde de erkenning dat de Joden het brede, sociale draagvlak voor de revolutie vormden.

Het einde van de tsaar

Solzjenitsyn wijst meermaals op de onontbeerlijke Amerikaanse financiële en materiele steun aan de revolutie en, in een later stadium, aan het sovjetregime. Amerikanen onder het toeziend oog van Wall Street (Carnegie, Morgan en Rothschild) financierden en leverden materieel aan de bolsjewieken voor de industrialisatie van de Sovjet-Unie. Met de tsaristische regering wilden de bankiers geen zaken doen. Integendeel, in plaats van financiële steun, mobiliseerden zij de publieke opinie decennialang tegen het tsaristisch bewind, als zijnde anti-Joods. De Amerikaanse historicus A. Sutton stigmatiseert het amorele karakter van deze relaties. Solzjenitsyn ziet de parallelle belangen van bolsjewieken en bankiers: een centraal gezag om de economie te controleren en om zaken mee te doen, goedkope arbeidskrachten en het internationalisme, een wereld zonder grenzen.

De dood van de tsaar en zijn familie komen voor rekening van Russen, Letten en Hongaren. De tsaar en zijn familie waren niet welkom bij zijn neef, de Engelse koning. De ultieme beslissing kwam van Lenin en alle leden van het hierboven vermelde presidium stonden achter hem. Sverdlov gaf de opdracht en Joerovski organiseerde de moord op de familie, bijgestaan door 6 Russen, Letten en Hongaren. Hij had de dodelijke colt in handen. Maar hier bleef het niet bij. Na het gezin van de tsaar volgde zijn broer, Michaël Aleksandrovitsj. In 1918 volgden miljoenen anderen: adellijke families, officieren, priesters, burgers, boeren, allen Russen. Miljoenen Slaven stierven door de kogel of door verdrinking. Solzjenitsyn benadrukt het anti-Slavische karakter en wijst op “de droom van Engels en Marx.”

Naschrift van de auteur

De steun vanuit de VS en het VK voor, tijdens en na de revolutie is essentieel geweest voor het welslagen van de revolutie en later voor de bestendiging van de Sovjet-Unie.

Het was een voortzetting van het Britse beleid gedurende de hele 19e eeuw, vanaf de Franse revolutie. In 1917 zat Sint-Petersburg vol Britse spionnen en agitatoren. De Britse ambassadeur in Sint-Petersburg was door zijn regering belast met het verdelen van fondsen voor Lenin, afkomstig van 7 Britse en Amerikaanse bankiers, waaronder Jacob Schiff en zijn schoonzoon, de stichter van de Amerikaanse federale bank. Allen waren leden van de Joodse loge. Trotski had tientallen miljoenen dollars uit de VS ter beschikking gekregen voor het uitvoeren van de staatsgreep. Dit paste in het bredere kader van WO I en de vredesonderhandelingen in Versailles in 1918-1919. De maçonnieke oorlogsdoelen van 1914, de vernietiging van de drie Europese keizerrijken, inclusief het rijk van de orthodoxe tsaar, was bereikt. De inmiddels door paus Johannes Paulus II heilig verklaarde Habsburgse keizer van Oostenrijk, Karel I (1916-1918), werd in 1918 met zijn gezin op een Brits oorlogsschip te Madeira gevangengezet.

In Versailles zaten uitsluitend vrijmetselaars aan tafel. Het verraad van Clemenceau met het omstreden verdrag, dat “20 jaar wapenstilstand betekende” (Foch) en het Anglo-Amerikaanse verbod aan Frankrijk om Duitsland te bezetten en om de contrarevolutionairen in Rusland (de Wit-Russen) te helpen (een militair plan van maarschalk Foch), hebben geleid tot meer dan een halve eeuw Anglo-Amerikaanse suprematie op het Europese continent.

In die troebele maar beslissende eerste jaren van de revolutie van 1917 hebben Britse eenheden zelfs wapenvoorraden, bestemd voor de Wit-Russen in hun strijd tegen de bolsjewieken, vernietigd. De bolsjewieken pasten in de Anglo-Amerikaanse plannen en dienden geostrategische doelen: verdeel en heers over Europa. In 1945, in Jalta, kwam het zover en werd Europa in twee blokken verdeeld. Daarentegen is de recente, nieuwe as Parijs-Berlijn-Moskou een garantie voor een duurzame vrede en de belangrijkste geostrategische ommekeer sinds twee eeuwen. Noch Napoleon, noch Hitler of Stalin is erin geslaagd het Europese continent te verenigen. De bekende geostrateeg Mackinder draait zich om in zijn graf. Het Europese, Joods-christelijke heartland, tegenover de schaakmat gezette, maçonniek aangestuurde Anglo-Amerikaanse rimlands. Tenzij ze er in slagen de Turken alsnog Europa binnen te loodsen, dreigen de rimlands voor het eerst sinds twee eeuwen buitenspel te staan. Door de strategische gas- en oliereserves van Rusland en de groeiende, onderlinge verwevenheid in Europa lijken noch Britten, noch Amerikanen er nog een keer tussen te kunnen komen. De Anglo-Amerikaanse wereldhegemonie lijkt te zijn afgestopt. De geografie is sterker dan de perfide, verdeel-en-heersintriges en -complotten die Europa twee eeuwen lang zoveel ellende hebben gebracht.

NVDR

Wij zijn niet helemaal overtuigd door de conclusie van onze ge-eerde auteur. Het is juist dat de Russische revolutie steun ondervond vanuit de vrijzinnige Angelsaksische wereld. Het is eveneens juist dat de as Parijs-Berlijn-Moskou zich nu steeds meer aftekent. Dit gebeurt dan wel onder het thema van de zestig jaar oude vroegere Sovjet en huidige Russische politiek voor het gemeenschappelijk Europees Huis. Het Kremlin zou in deze visie dan de federator van dit Europa worden. Voor ons lijkt dit om vele redenen hier reeds meermaals beschreven helemaal geen goede zaak. Europa moet eerst in het reine komen met de perestrojka-politiek, de moed hebben zichzelf te zijn opdat het zich zeker noch van vriend, noch van vijand zou vergissen… [P.H.]

Streamers

Vanaf de eeuwwisseling krijgen de revolutionairen steun van Brits-joodse en Amerikaans-joodse bankiers onder wie Jacob Schiff.

Het lijkt dat de tsaar, noch de regering iets te maken had met de pogroms tegen de Joden.

Solzjenitsyn verwondert zich over het vermogen van Joden om in turbulente tijden toch zichzelf te blijven.

Voor Lenin waren de Joden de redders van de revolutie.

Solzjenitsyn stelt dat de Joodse betrokkenheid geen taboe mag worden, anders wordt 1917 onbespreekbaar.

www.nucleusopinion.net

14:57 Gepost door gepost door Kris Roman in Geopolitica nederlands | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.