20-11-07

Straat van Kertsj

De Straat van Kertsj is de zeestraat die de verbinding vormt tussen de Zwarte Zee en de Zee van Azov. Westelijk ligt het Schiereiland van Kertsj, een onderdeel van de Krim, en oostelijk het Schiereiland van Taman, met daarvoor het eiland Toezla.De zeestraat is genoemd naar de stad Kertsj op de Krimse oever. In de oudheid stond de straat bekend als de Cimmerische Bosporus (niet te verwarren met de Thracische Bosporus, die nu nog steeds als Bosporus bekendstaat). De Turken en Tataren noemen de straat Yenikale.Door de Straat van Kertsj loopt sinds 1954 de grens tussen Oekraïne en Rusland. Het verloop van deze grens is omstreden. Russische voornemens om een verbinding aan te leggen met het eilandje Toezla in het midden van de Straat van Kertsj leidden eind 2003 tot heftige Oekraïense protesten. Het eilandje wordt door beide landen geclaimd maar is eigenlijk Russisch. Het is in 1925 ontstaan, toen de smalle landengte die het destijds met het vasteland verbond door storm wegspoelde.

45° 18' NB, 36° 34' OL

Strait_of_Kerchtraat_van_Kertsj

16:20 Gepost door gepost door Kris Roman in Geopolitica nederlands | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

17-10-07

Antiraketschild zet politiek op scherp

De plannen voor een antiraketschild in Europa maken duidelijk hoe de politieke scheidslijnen lopen, stelt Willem Schneider.

Het voornemen van de Amerikanen om antiraketsystemen in Oost-Europa te plaatsen, laat nieuwe politieke scheidslijnen zien. De NAVO-landen vergaderen in juni voor het eerst over het omstreden antiraketsysteem voor Europa, om deze lijnen te verwijderen. Militair gezien is het systeem moeilijk te verdedigen.

De argumenten voor plaatsing zijn bekend. Het systeem is vooral bedoeld om ballistische raketten vanuit Iran en Noord-Korea te vernietigen. Maar niet alleen daarvoor. Het hoofd van het Amerikaanse bureau voor raketverdediging, luitenant-generaal Obering, gaf onlangs aan dat meer dan twintig landen de rakettechnologie in huis hebben. De Amerikanen lijken als antwoord een wereldwijd antiraketsysteem te willen plaatsen, van Polen tot Japan, met radars geplaatst in Groenland, Engeland en Tsjechië. Ze lijken hiermee (definitief) te hebben afgerekend met de gedachte van de Mutual Assured Destruction (MAD), wederzijdse verzekerde afschrikking. De MAD-gedachte hield in dat Rusland en Amerika de mogelijkheid van elkaars totale vernietiging openhielden. Daarom bouwden beide landen geen uitgebreid schild tegen raketten.

Gelet op de toename van het aantal kernwapenlanden lijkt Amerika te kiezen voor een andere koers: het wil dat de eerste tien raketsilo’s al in 2013 in Polen operationeel zijn. Obering wil ook een mobiele radar in Armenië, Azerbeidzjan of Georgië. Zo’n radarsysteem kan eerder langeafstandsraketten opsporen dan andere geplande systemen in Europa.

Vanuit de historische vrees omsingeld te worden, is het begrijpelijk dat de Russische minister van Buitenlandse Zaken, Sergej Lavrov, fel tegen de plannen is. Hij gelooft niet dat het antiraketsysteem tegen Iran is gericht, maar bedoeld is „om raketten te onderscheppen die afgevuurd worden vanaf Russisch grondgebied.” President Poetin zit op dezelfde lijn. Nieuw in deze benadering is dat Rusland strategische offensieve wapens inzet tegen louter defensieve systemen.

Toch weten Russische en Amerikaanse militairen dat deze systemen uiterst kwetsbaar zijn. De Amerikanen kunnen geen honderden kernkoppen op intercontinentale ballistische raketten met tien of meer raketsilo’s tegenhouden. Volgens het SORT-verdrag (Strategic Offensive Reductions Treaty) uit 2002 hebben de Russen (en de Amerikanen) tegen 2012 1700 tot 2200 strategische kernwapens. Voldoende om antiraketsystemen te elimineren. Ook luitenant-generaal Igor Khvorov, commandant van de Russische strategische luchtmacht, gaf aan dat de silo’s waarin deze raketten zijn opgeslagen, heel kwetsbaar zijn. Ze zijn een gemakkelijk doelwit voor kruisraketten, afgevuurd vanuit bijvoorbeeld de Tu-160 Blackjack.

Bij de bouw van raketsilo’s zullen de Amerikanen op langere termijn ook rekening houden met de Chinese nucleaire dreiging. Zoals aangegeven brengen de VS volgens het SORT-verdrag het arsenaal van 10.000 kernkoppen naar 1700 terug. China zal volgens deskundigen het aantal kernkoppen juist vermeerderen: van 80 naar circa 1800. Volgens deze specialisten komt deze toename door de MIRV’s (Multiple Independently Targeted Reentry Vehicle). Inzet van MIRV’s betekent dat per raket verschillende kernkoppen worden gelanceerd, die elk naar een apart doel worden gestuurd.

De Amerikaanse vermindering en de Chinese toename leiden tot een zeker nucleair evenwicht.

Een politieke scheidslijn vormt de ondeelbaarheid van de Europese veiligheid. Van Amerikaanse zijde wordt gezegd dat de VS bij de stationering zullen samenwerken met Europese NAVO-bondgenoten. Dit wil EU-voorzitter Duitsland ook: de minister van Defensie, Frans Jozef Jung, suggereert dat het Amerikaanse plan wordt geïntegreerd in de NAVO-studie. De NAVO is namelijk bezig met een studie naar een defensiesysteem om haar territorium beter te beschermen. Zo’n integratie betekent niet dat de NAVO meebeslist over het gebruik. De ballistische raketsystemen komen er wereldwijd in de eerste plaats voor de bescherming van Amerikaans grondgebied. Het antiraketsysteem in Oost-Europa is er niet om middellange- en korteafstandswapens te vernietigen. Een neveneffect is een betere verdediging van Midden- en Noord-Europa tegen langeafstandsraketten.

Hierdoor dreigt een tweedeling inzake de veiligheid van Europa. NAVO-secretaris-generaal De Hoop Scheffer vindt dat deze veiligheid ondeelbaar is. De vraag is hoe de zuidelijke NAVO-landen moeten worden beschermd. De secretaris-generaal is van mening dat de NAVO haar eigen ”theater defensieprogramma” moet gebruiken om deze landen te beschermen. Zo zou het gat opgevuld worden dat het Amerikaanse antiraketsysteem in Oost-Europa in de veiligheid van Europa slaat. Zuidoost-Europa kan beschermd worden door de Patriotraketten en de Aegisradar van het (toekomstige) kleinere NAVO-antiraketsysteem.

Een politiek meningsverschil dreigt ook tussen de NAVO en de EU te ontstaan. Volgens EU-buitenlandcoördinator Solana is het de vraag of de EU met raketten zal worden bedreigd. NAVO-secretaris-generaal De Hoop Scheffer meent dat er een „reële en groeiende raketdreiging voor Europa” bestaat.

Polen en Tsjechië bevinden zich in een spagaat. Daarom is het te begrijpen dat de Poolse en de Tsjechische ministers van Buitenlandse Zaken tijdens de recente EU-top aangaven dat hun regeringen nog steeds „denken over plaatsing”, en dat „er nog geen definitieve besluit is genomen.” Dit voorkomt voorlopig een nieuwe scheidslijn in het veiligheidsbeleid van de EU en de NAVO.

De auteur is politicoloog en onderzoeker. Hij was werkzaam bij de vaste Kamercommissies voor defensie en voor buitenlandse zaken.

23:07 Gepost door gepost door Kris Roman in Geopolitica nederlands | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

16-10-07

De eeuwige tsaar

De uit 1993 daterende grondwet van Rusland beperkt het aantal onafgebroken ambtstermijnen van de president tot tweemaal vier jaar. Vladimir Poetin, in 2000 gekozen en in 2004 herkozen, zou in 2008 dus moeten plaatsmaken. Maar dat is voor hem ondenkbaar. De politieke én economische belangen zijn te groot. Bovendien voelt Poetin zich thuis in zijn rol als Russisch leider en is hij te jong – 55 jaar – om met vervroegd pensioen te gaan.

De varianten om aan de macht te blijven, zijn onuitputtelijk. Doordat er in Rusland amper beproefde staatsrechtelijke tradities zijn, kunnen creatieve geesten hun gang gaan.

Met de plotselinge benoeming van Viktor Zoebkov tot premier liet Poetin zich drie weken geleden voor het eerst helder in de kaart kijken. Minstens twee varianten waren denkbaar. Eén: de nieuwe premier zou worden klaargestoomd als interim-president. In die variant kan Poetin zelf even gaan ‘uitrusten’, om na deze pauze als staatshoofd in een eerste termijn terug te keren. Twee: de benoeming van Zoebkov kon de voorbode van een andere manoeuvre zijn.

Sinds kort weten we meer. Op een congres van de staatspartij Verenigd Rusland heeft Poetin geopperd dat hij zijn macht behoudt door premier te worden, een constructie waarover al werd gespeculeerd. Hij zal de partij aanvoeren bij de parlementsverkiezingen van 2 december. Samen met een quasi-oppositionele partij is er dan in de Doema een tweederde meerderheid voor een grondwetswijziging die de macht van de president beperkt ten gunste van de premier, zodat premier Poetin als premier de eerste man blijft.

Het lijkt een logisch scenario. Na acht jaar onbetwiste macht is Poetin belangrijk voor de Russische economie. Rondom hem groeperen zich de financiële, economische en politieke belangen. Die belangen laten zich eerder in miljarden euro’s berekenen dan in miljoenen.

Maar Poetin neemt met deze truc wel een groot risico. Hij doorbreekt allereerst een eeuwenoude traditie. In Rusland resideert de machthebber van oudsher in het Kremlin, of die nu tsaar heet of secretaris-generaal dan wel president. De premier was nooit veel meer dan een veredelde dienstbode en de zondebok voor het falen van anderen. De patroon in het Kremlin kon zo boven de politiek blijven zweven. Al het goede was zijn verdienste, al het slechte was aan anderen te wijten. Door af te dalen naar de uitvoerende politiek, berooft Poetin de staatsmacht van zijn onaantastbaarheid.

Dat Poetin deze politieke culturele revolutie aandurft, bewijst hoe sterk hij zich maatschappelijk waant en hoe groot de belangen zijn geworden die hij verdedigt.

De Russische burgers zullen deze meesterzet komend half jaar vermoedelijk ook honoreren. Na acht jaar ‘geleide democratie’ is elk Amerikaans-zionistisch alternatief effectief gesmoord. Maar op iets langere termijn zal Poetin met zijn ambitie om tot in lengte van dagen te regeren vele vragen oproepen. Er komt een moment dat de nieuwe middenklasse niet alleen rijker wil worden, maar nog vrijer wil zijn. Dat moment zou zich in 2012 wel eens kunnen aandienen. Als er tegen die tijd onvrede loskomt, zou die wel eens explosiever kunnen zijn dan de huidige rust in Rusland doet vermoeden.

01:19 Gepost door gepost door Kris Roman in Geopolitica nederlands | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

06-10-07

Joodse historie in Rusland

In 2002 verscheen bij uitgeverij Fayard het opzienbarende werk van Aleksandr Solzjenitsyn over de Joden in Rusland voor de revolutie van 1917, en in deel II tijdens en na de sovjetperiode. Om politieke redenen is aan de uitgave geen ruchtbaarheid gegeven, waardoor velen niet eens van het bestaan van dit immense werk afweten. Maar geen enkele toekomstige historische studie over Rusland en de revolutie van 1917 kan dit boek, onderkoeld geschreven en vrij van elke zweem van antisemitisme, negeren.

Zowel voor Solzjenitsyn zelf als voor de schrijver en uitgever van dit overzicht is het Joodse volk door God uitverkoren en vormt het de stam waarop het christendom in het algemeen en de katholieke kerk in het bijzonder verder zijn gegroeid. Maar zij willen weten en begrijpen wat er is gebeurd en, in de woorden van Solzjenitsyn, voorkomen dat wat er is gebeurd, in de taboesfeer wordt getrokken. Zij hopen ook dat een belangwekkend onderwerp bespreekbaar blijft en niet wordt misbruikt om haat en onrust te zaaien, ook al zijn de Joodse identiteit en het Joodse verhaal historisch erg beladen. Voor een goed begrip is kennis van de Talmoed en/of het Oude Testament vereist. Joden zijn ervan overtuigd dat ze het uitverkoren volk zijn en boven alle andere volken en rassen staan. Dit religieus, historisch besef verklaart feiten in het heden en in het verleden en vormt de Joodse psyche.

Ernest Renan (1823-1892) schrijft dat het Joodse volk vanaf het begin “de zuurdesem is van de niet-Joden, temidden van wie wij leven” (II, p. 27), het Joodse volk als katalysator. Solzjenitsyn voegt eraan toe dat een opbloeiende staat of maatschappelijke sector Joden aantrekt en opnieuw afstoot zodra de neergang zichtbaar wordt en de bloei voorbij is. Deze neiging is typisch (II, p. 28). Het Joodse messianisme en het gewilde voortbestaan als volk temidden van andere volken, de indertijd gewenste aparte woonwijken, de Joodse beperkingen bij gemengde huwelijken ondanks 2000 jaar diaspora, komen hieruit voort. Zonder hun religieus gestructureerde identiteit bestaat het Joodse volk niet. Hier volgen enkele cijfers ter illustratie. Rond 1900 leefden er in Rusland 6 miljoen Joden op een Russisch-sprekende bevolking van 100 miljoen. De totale bevolking van het tsaristische Rusland bedroeg 170 miljoen. In het toenmalige Polen woonde 3,5 miljoen Joden op een bevolking van 25 miljoen. Wereldwijd waren er ongeveer 14 miljoen Joden, waarvan 2 miljoen in de VS. Met 9,5 miljoen vormden de Oost-Europese Joden in die tijd veruit de grootste Joodse bevolkingsgroep van de diaspora.

Als derde kenmerk draagt Solzjenitsyn aan dat de opeenvolgende tsaren de Russische Joden zeer welgezind waren. Mits de Joden als bevolkingsgroep zich aan de regels hielden (vooral het wonen in aangewezen gebieden, of in sommige gevallen een numerus clausus aan universiteiten), werd hen noch op economisch vlak, noch in het beleven van de Joodse religie geen strobreed in de weg gelegd. De Joodse ondernemingszin en de buitenlandse contacten waren goed voor de Russische economie en in sommige opzichten, zoals bij de graanhandel en de wodkastokerijen, ook goed voor de Russische belastingopbrengsten. Maar Joden zijn stadsmensen en de verplichte woongebieden, opgelegd door opeenvolgende tsaristische regeringen, wekten weerstand. Ook is het niet gelukt om de Joden in de landbouw aan het werk te krijgen.

In februari 1917, aan de vooravond van de Russische Oktoberrevolutie, werden de veiligheidsmaatregelen om te voorkomen dat grote steden zoals Odessa (30 %) door Joden zouden worden gedomineerd, door de regering Kerenski opgeheven. Solzjenitsyn wijst erop dat de Joodse intelligentsia er tijdens de laatste decennia voor de revolutie in slaagde om hun afkeer van het tsaristische bewind over te dragen op de toenmalige Russische elite. Dit betekent niet dat de Russen de radicale minderheid van bolsjewieken steunden of hebben aangestuurd op de Oktoberrevolutie, maar toch acht hij dit gegeven belangrijk. De Oktoberrevolutie van 1917, voornamelijk het werk van Joodse revolutionairen en linkse intellectuelen zoals de bolsjewieken, was ook het werk van Russen. Daarnaast kregen de revolutionairen reeds vanaf de eerste jaren na de eeuwwisseling politieke en financiële steun van o.m. Britse en Amerikaanse bankiers zoals Jacob Schiff, maar of zij de Oktoberrevolutie ook daadwerkelijk hebben gefinancierd, laat Solzjenitsyn in het midden.

Het begin

De eerste grote groepen Joden vestigden zich in het jaar 72 na Christus via Perzië in het gebied van de beneden-Wolga. In de loop der eeuwen bekeerden de volken rondom hen zich tot het jodendom. In de 7e eeuw vormden zij een groot rijk, vanaf de Oeral tot aan de Dnjepr, met Itil als hoofdstad. In het jaar 966 werden ze onderworpen door prins Sviatoslav van Kiev. In 969 bezetten de Russen de stad Itil en het benedengebied van de Wolga. Toen zijn grote groepen Joden naar het westen en noordwesten getrokken. De latere Russische Joden zijn afkomstig uit de Kaukasus en de gebieden rond de Zwarte Zee. In de 9e en 10e eeuw werd Kiev een internationaal centrum met een grote Joodse gemeenschap. Het christendom deed zijn intrede en vele Russen en ook Joden bekeerden zich. Een van de eerste Russische bisschoppen, de schrijver Luc Jidiata, is afkomstig uit de Joodse gemeenschap van Kiev. Christenen en Joden leefden vreedzaam naast elkaar tot in 1113 in Kiev oproer ontstond bij de troonsbestijging van prins Vladimir. De Joodse wijk werd geplunderd door de Russen, als wraak voor het handelsmonopolie en de woekerrente (tot 50 %). Vladimir heeft een eind gemaakt aan de opstand, de Joden in bescherming genomen en de rentevoeten aan banden gelegd.

In 1239, met de invasie van de Tataren en de verwoesting van Kiev, is een deel van de Joden naar Polen getrokken. De achtergebleven Joden wisten snel het vertrouwen van de nieuwe heersers te winnen. Het handelsmonopolie en de woekerrente veroorzaakten opnieuw opstanden en plunderingen, maar de nieuwe heersers herstelden de orde.

In de 15e eeuw waren de Joden in Kiev welvarende belastingophalers. In de 15e en 16e eeuw keerde een deel van de Joden terug uit Polen en Litouwen en vestigde zich in Kiev, Minsk, Smolensk, Moskou en Polatsk.

In 1470 echter slaagde een groep Joden uit Novgorod erin om twee priesters, Alexis en Demis, te bekeren tot het jodendom. Zij kregen veel aanhangers. Het succes van de nieuwe sekte lag in het bestuderen van de kabbala, een gnostische ‘wetenschap’ die antwoord geeft op vragen betreffende de natuur, astrologie, mysterieuze verhalen, de toekomst en tenslotte het vermogen om geesten te bevelen. De sekte effende het pad voor een liberale stroming en drong door tot bij de tsaar en de top van de orthodoxe kerk. Het concilie dat aartsbisschop Gennadi van Novgorod bijeenriep in 1490, maakte hier een eind aan. De sekteleiders werden ter dood veroordeeld, maar tsaar Ivan III verleende gratie omwille van de Joodse goodwill en zette hen gevangen.

De aartsbisschop liet de eerste Slavische bijbel uitgeven ter ondersteuning van de opvoeding van de jeugd. Een eeuw later was die bijbel nog steeds in gebruik, maar de liberale tendensen waren niet verdwenen, noch was er sprake van antisemitisme. Vanaf de 13e tot de 18e eeuw ontstond in Polen een grote Joodse gemeenschap. Deze vormde in de 20e eeuw de grootste Joodse gemeenschap ter wereld. In de 16e eeuw eiste de Poolse koning Sigismund-August van tsaar Ivan de Verschrikkelijke voor de Joden vrije toegang tot Rusland. Tsaar Ivan wilde “noch onrust noch kwalijke praktijken” in Rusland binnenhalen.

Als gevolg van economische uitbuiting en koloniale wantoestanden brak in 1648 in het rijke en welvarende Oekraïne een opstand uit tegen de Joden en de katholieke Poolse adel die er de dienst uitmaakten. Net als in Polen, waar de Joden het openbare leven beheersten, stonden de Joden in Oekraïne ook ten dienste van machthebbers en grootgrondbezitters. De uitbuiting van de boeren betrof niet alleen de pacht, maar ook het heffen van belasting op het dopen van kinderen. De boerenbevolking was woedend en er vielen tienduizenden Joodse slachtoffers.

In de tweede helft van de 17e eeuw verzwakten de migratieregels en drongen Joden door tot in Moskou. In de 18e eeuw domineerden de Joden het distilleren en de handel in wodka. Maar bij het begin van de 18e eeuw wilde tsaar Peter de Grote (1702), die geleerden en deskundigen wilde aantrekken, Rusland afsluiten voor de Joden. Hij wilde ‘het kwaad’ geen kans geven. Er zijn geen aanwijzingen dat tsaar Peter ook daadwerkelijk tot Jodenvervolging is overgegaan of hun rechten heeft ingeperkt. Integendeel, de Joden kregen invloed tot in de hoogste politieke kringen. Zij maakten zich onmisbaar en het aantal Joden in Rusland groeide gestaag.

Ook tsarina Elizabeth (1741) slaagde er niet in om de Joden uit Rusland te verdrijven. De staat had te veel economische belangen bij de Joodse ondernemers. Catharina de Grote (1762-1796) was de Joden zeer welgezind, maar moest ondergronds opereren om de officiële wetten te omzeilen. Ze voerde een activistische bevolkingspolitiek om Nieuw Rusland, het gebied tussen de Krim en Moldavië, te bevolken met Joden uit o.a. Polen en Litouwen.

Solzjenitsyn verwondert zich over het vermogen van Joden om in turbulente tijden toch zichzelf te blijven. Deze kracht wijt hij aan de Joodse religie en drastische maatregelen zoals het verbod te huwen met niet-Joden. Paradoxaal genoeg, stelt Solzjenitsyn, oogsten andere volken die dit opleggen geen respect, maar krijgen zij het stigma nationalistisch opgeplakt. In 1772 veroverde Rusland het oostelijke deel van Polen, Wit-Rusland, waar 100.000 Joden woonden. Catharina de Grote gaf de Joden vrije toegang tot heel Rusland en Oekraïne. Ook kregen de Joden dezelfde burgerrechten als de Russen en de andere inwoners van het immense rijk. Ze werden opgenomen in het Russische klassenstelsel. In enkele opzichten kregen ze zelfs meer rechten dan de autochtone boeren, handelslieden of bourgeois Russen die in de steden moesten wonen. Ondanks pogingen in 1783-1790 om beperkingen op te leggen, mochten de Joden, met het oog op de handelsactiviteiten en de wodkastokerijen, wonen waar ze wilden. De staat en de autochtone landbezitters profiteerden daarvan.

In 1790 nam de autochtone druk toe om Joodse handelaars uit de grote steden (Moskou, Sint-Petersburg) te bannen als gevolg van ‘oneerlijke’ praktijken en dominantie in de handel. Ze moesten in Wit-Rusland gaan wonen. In 1791 vaardigde de tsarina het decreet uit dat tot aan de revolutie van 1917 de basis zou blijven voor de door de regering opgelegde Joodse residentiebeperkingen en waartegen het verzet sterk zou toenemen. In 1793 en 1795 veroverde Rusland grote delen van Polen en Litouwen. De tsarina kreeg er één miljoen Joden bij, een voor die tijd ongekend groot aantal. In 1794 nam ze drastische maatregelen om woonconcentraties van Joden in kwetsbare gebieden, vooral Wit-Rusland, te vermijden. De Joden moesten in de steden gaan wonen ter bescherming van de pachters die werden uitgebuit of tot verslaving gebracht en aan alcoholisme ten onder gingen. Om de maatregel wat te verzachten, werden de dorpen opnieuw ingedeeld. Voorts moesten de Joden een dubbele belasting betalen. De uitbuiting en de kwetsbare leefomstandigheden van de pachters in Wit-Rusland was echter niet alleen te wijten aan de dominantie van de Joden in handel en nijverheid, maar ook aan de Russische en Poolse landbezitters, hoewel deze zichzelf met een verzwakte boerenstand ook in de vinger sneden.

Aan het eind van de 18e eeuw werden diverse pogingen ondernomen om van de Joden autochtone burgers met een productief beroep te maken. Maar er was geen continuïteit en het systeem wisselde te vaak. Joden waren over het algemeen stadsmensen. In tegenstelling tot het succes van het moderne Israël, strandden pogingen om Joden als landbouwer aan land te binden. De Joden konden zich veelal handhaven in de handel, de wodkastokerijen of in kleine beroepen omdat de bezittende Russische of Poolse klasse en de staat daar een economisch belang bij hadden. Het gelag werd echter betaald door de ongeschoolde, analfabete pachters. Maar als ze in opstand kwamen, wreekten ze zich op de Joden.

1905–1907: aanloop tot de revolutie

In het begin van de twintigste eeuw werd Rusland gekweld door socialistische, revolutionaire bewegingen, zoals de Bund. Deze werden vooral gesteund door talrijke Joodse jongeren, van wie de meesten zich aan de militaire dienstplicht onttrokken. Het burgerlijk gezag was verzwakt, vooral door de zeeoorlog tegen Japan, maar ook door de slapheid en ongemotiveerdheid van burgerlijke en militaire gezagsdragers. Japan had de oorlog met Amerikaanse (Joodse) financiële steun gewonnen. Vele gezagsdragers waren tijdelijk benoemd, en absenteïsme en corruptie tierden welig. Het tsaristische regime was van binnenuit verzwakt en liep op zijn laatste benen. Daartegenover stond een steeds sterker wordende revolutionaire beweging van “het Joodse volksdeel, solidair in de haat tegen Rusland, ongeacht de middelen die ze willen inzetten” (nov. 1905, oprichting Unie van het Russische Volk). De administratieve autonomie van het hoger onderwijs versterkte de agitatie. De instellingen voor hoger onderwijs werden ‘vrijhavens’. Er werd zelfs geld ingezameld voor de aankoop van handvuurwapens, soms met steun van docenten. Individuen die daar niets te zoeken hadden, konden toch als ‘student’ toetreden. Universiteiten werden haarden van verzet en propaganda tegen de tsaar, de regering en de gevestigde orde. Getalsmatig was de invloed van Joodse jongeren groot en in een later stadium dominant.

De eerste bolsjewieken lieten van zich horen (Alex Schlichter). De regering deed concessies die door de revolutionairen als zwakheid werden gezien. Politie en leger richtten weinig uit. Het officiële rapport meldde dat de opstand in Kiev vooral een strijd was tussen de Russische en de Joodse middenstand. Joodse jongeren misdroegen zich tegen de tsaar, vernietigden zijn afbeeldingen, trokken standbeelden omver, verscheurden Russische vlaggen en vervingen deze door rode vlaggen. Zij verheugden zich ook over de verloren zeeoorlog tegen Japan, tartten Russische legereenheden, opende het vuur op hen vanuit de bezette Doema en vermoordden tsaristische functionarissen. Het verzet was gericht tegen het bewind van de tsaar die onder de Russische bevolking toch nog een zekere populariteit genoot. De wraakactie van de Russische burgers kon niet uitblijven.

Op 18 oktober werden in Kiev de Joodse middenstandswijken en de Joodse villa’s in de rijkere wijken geplunderd en vernield. Politie en leger bleven aanvankelijk passief. De gevestigde Joodse middenklasse had part noch deel aan de revolutie, maar ze had de eigen jeugd niet in de hand, evenals de Russische middenstand. De Joodse jongeren wilden een eigen vrijheid bevechten, zij wilden de ondergang van de tsaristische staat, zij wilden rechten, los van de standaard Russische burgerrechten. Hun Joodse ouders betaalden voor die mislukte revolutie een hoge tol. Daartegenover meldde het dagblad van Kiev dat ook Russische ouders hun kinderen niet onder controle hadden.

Na het herstel van de openbare orde enkele dagen later werd de balans opgemaakt. Er waren in Kiev 47 doden gevallen, waaronder 12 Joden, en 205 gewonden, waaronder een derde Joden. In beide kampen waren er slachtoffers te betreuren, maar de revolutie had de kloof tussen Russen en Joden aanzienlijk dieper gemaakt.

Odessa

In de havenstad Odessa verliep de revolutie van 15 juni 1905 niet anders. Wel telde de stad veel meer Joden: 30 % van de bevolking en een nog groter percentage onder de studenten. De onlusten startten in de haven, toen de militaire commandant 5000 opstandelingen op het haventerrein opsloot. Intussen was ook de pantserkruiser Potemkin op de rede verschenen. De opstandelingen gingen aan boord en kregen de bemanning zover dat enkele kanonnen richting stad werden afgeschoten. Ze eisten het vertrek van de militairen uit Odessa en de vrijlating van alle gevangenen. Uit angst voor een bombardement van de Potemkin op Odessa waagde de commandant het niet in te grijpen op het haventerrein. Tijdens de begrafenisstoet van een gevallen matroos namen de onlusten in de stad toe. Joodse jongeren kregen de overhand en radicaliseerden de opstand; ze eisten de ondergang van de tsaristische staat.

Intussen was de staat van beleg afgekondigd en de Potemkin moest de haven na vier dagen verlaten omdat een Russisch marine-eskader opstoomde om hem te neutraliseren. De zomer bleef verder kalm, maar op 27 augustus werd ook in Odessa de autonomie van het hoger onderwijs afgekondigd. Toen was het hek van de dam. Revolutionaire comités kwamen bijeen op de terreinen van de universiteit en kregen steun van de rector en sommige professoren. Honderden handvuurwapens werden aangekocht en toen de staat van beleg op 30 september werd opgeheven, radicaliseerde de opstand en groeide de aanhang aanzienlijk. Joodse jongeren vormden de harde kern. Na de omsingeling van de universiteit, om de orde te herstellen, werden in de stad barricaden opgericht en bij schietpartijen met het leger vielen 9 doden en 80 gewonden; 214 personen werden opgepakt, waaronder 197 Joden. Na de afkondiging van het regeringsmanifest voor meer burgerlijke vrijheden trokken politie en leger zich terug. De stad werd gedemilitariseerd en tegelijkertijd overgeleverd aan gewapende opstandelingen, vooral Joodse jongeren, maar ook Russische burgers. De eersten wilden de macht en zeiden dat ze de Russen gingen regeren. “Wij hebben jullie God gegeven, we gaan jullie nu ook een tsaar geven.” Joodse groepen jongeren terroriseerden de stad met rode vlaggen en belegerden zelfs politiebureaus.

Op 18 oktober probeerde een menigte Joodse jongeren een fabriek in Guen plat te leggen door de arbeiders te overhalen te staken. Toen ze weigerden hierop in te gaan, werden diezelfde arbeiders later op de dag gedwongen op straat hun hoofddeksel af te nemen voor de rode vlaggen. Er ontstonden gevechten tussen de gewapende jongeren en de ongewapende arbeiders. Toch kregen deze laatsten de overhand. Maar gewapende steun kwam van een toesnellende Joodse menigte van 1000 demonstranten. Deze openden het vuur op de arbeiders waardoor 4 dodelijke slachtoffers vielen. Op diverse plaatsen in de stad ontstonden rellen en Russen van velerlei pluimage openden de jacht op de Joodse revolutionairen. Daarbij werden Joodse huizen en winkels geplunderd. De volgende dag kwam de reactie van de Russische bevolking op gang. Russische arbeiders, vaklieden en middenstanders, met iconen van heiligen en afbeeldingen van de tsaar, Russische vlaggen en religieuze liederen, demonstreerden op diverse plaatsen in de stad tegen de revolutionairen en tegen de Joden. De militaire commandant greep niet in. Hun woede richtte zich tegen de Joodse arrogantie en het misprijzen van de Russische natie. Zij waren apolitiek.

De revolutionairen schoten op de Russische tegenbetogers en gooiden bommen. Dagenlang werden Joodse bezittingen, huizen en winkels geplunderd en vernietigd. Er werd zelfs gemarteld en er vielen vele doden en gewonden. Het leger en de politie bleven afzijdig, totdat op 22 oktober de rust weerkeerde en de orde kon worden hersteld. Volgens politierapporten waren er 500 doden te betreuren, waaronder 400 Joden, en 289 gewonden, waaronder 237 Joden. Indertijd werden deze cijfers in het buitenland sterk opgeblazen. Ook is er geen enkele aanwijzing dat de wraak op de Joden door de tsaristische overheid zou zijn georganiseerd. De gewelddadigheden in Odessa waren naar Russische normen buitensporig. In het officiële verslag voor het Russische parlement wordt de schuld niet alleen aan de Joden toegeschreven. De civiele autoriteiten hadden veel vroeger krachtdadig en kordaat tegen de revolutionaire krachten moeten optreden. De militaire gouverneur Neudhart had zijn troepen niet op een precair moment van de straat mogen terugtrekken. Hij werd door de rapporteur voor de rechter gesleept en aangeklaagd voor wanbeleid.

Na Odessa was heel Rusland in de ban van revolutionaire bewegingen die het op de verzwakte tsaar en zijn regering van angsthazen hadden gemunt. De revolutionairen zouden niet meer verdwijnen. Er kwam zelfs Amerikaanse financiële hulp op gang. [Vanaf 1905 kregen o.a. Lenin, Trotski en Zinovjev financiële steun van Amerikaans-Joodse bankiers, JvR.] In 7 andere steden en nog meer dorpen in Wit-Rusland en Oekraïne werd ook Joods bezit geplunderd. Elders in Rusland werden 24 steden getroffen door rellen en plunderingen die niet alleen waren gericht tegen Joods bezit, maar ook tegen Russische revolutionairen. Maar de ordetroepen maakten korte metten. De schrijver Tolstoj die geen vriend was van de tsaristische regering, noemde de plunderingen, “de wil van een getart volk, het volk ziet het geweld van de revolutionaire jongeren en verzet zich”. Uit diverse bronnen blijkt dat de tsaar noch de regering ook maar iets te maken hadden met de plunderingen (pogroms) tegen de Joden.

De strijd voor de Joodse emancipatie eindigde met de Februarirevolutie in 1917. Het betrof o.a. de afschaffing van de verplichte woongebieden voor Joden, het volledig openstellen van onderwijsinstellingen, het deelnemen aan lokaal bestuur, het kopen van aandelen in ondernemingen, het deelnemen in publieke ondernemingen, het houden van huispersoneel, het bekleden van functies in het openbaar bestuur en het leger. De maatregelen golden ook voor de Amerikaans-Joodse migranten. De meeste Joden reageerden enthousiast op de doorbraak. Velen verhuisden naar de grote steden zoals Kiev, Moskou en Sint-Petersburg, de woonplaats van de tsaar. Een minderheid kon er niet aan wennen. De tsaar en zijn familie zaten in hechtenis. Maar de politieke doorbraak, een plan van de uit Russen bestaande regering Kerenski, veroorzaakte overal in het land politieke agitatie onder Joods-liberale voormannen. Door de Eerste Wereldoorlog ontaardde de agitatie in het land al spoedig in een permanente revolutie. Voor het eerst in de geschiedenis drongen vele Joodse functionarissen door tot in de hogere lagen van de zwakke Russische bestuurlijke elite. Door de oorlogsomstandigheden, het zwakke openbare bestuur, het ontbreken van urgentie en raison d’état binnen het tsaristisch bewind, en de zwakke leger- en politieleiding, konden de revolutionaire Joden zich steeds duidelijker manifesteren, zonder dat er zich een nieuwe machtsbalans kon vormen. Solzjenitsyn zoekt in deze structurele zwakte de oorzaak van de Februarirevolutie: Russisch onvermogen tegenover Joodse agitatie.

Het voorjaar en de zomer van 1917 waren een grijs niemandsland dat met de Oktoberrevolutie verder radicaliseerde. De machtsgreep van de radicale elementen in oktober 1917 betroffen liberale, geseculariseerde Joden en linkse, kosmopolitische Russen. Beiden hadden een hartgrondige hekel aan het tsaristische bewind, maar de Joden waren radicaler en hun haat zat dieper.

Dit verschil van invalshoek hebben de Russen onderschat. Het Revolutionaire Comité van Sint-Petersburg, de schaduwregering in het voorjaar en de zomer van 1917, bestond uit een dertigtal personen wier namen onbekend waren bij het publiek. Naast 25 % Polen, Letten en Kaukasiërs was minder dan een kwart Russisch, terwijl de Joodse socialisten meer dan de helft van het Comité uitmaakten. Solzjenitsyn legt de fout bij de Russen, zij keken toe.

Om aan de financiële nood het hoofd te kunnen bieden, schreef de Russische regering Kerenski een lening uit waarop massaal door Russische Joden en Amerikanen, zoals de Duits-Amerikaanse bankier Jacob Schiff en de Britse bankier Rothschild, werd ingeschreven. Ook vele Russische Joden engageerden zich in de linkse politieke bewegingen en in de officiersrangen van het leger. Uit Noord-Amerika kwamen steunbetuigingen van de 2 miljoen Joden. In die kringen werd het tsaristisch bewind al jarenlang onder vuur genomen. Enkele honderden Amerikaanse Joden emigreerden naar Rusland. Trotski profiteerde van dit Amerikaans-Joods engagement. Na zijn kort verblijf in de VS beschikte hij over een Amerikaans paspoort en keerde hij terug naar Rusland met een aanzienlijke som geld, vergezeld van 275 medestanders. In Londen stonden 10.000 Joden klaar om te emigreren. Velen van hen zouden een belangrijke rol spelen tijdens de Oktoberrevolutie en erna. Zij wilden allen de Joodse vrijheden in Rusland bevorderen en de contrarevolutionaire krachten bestrijden.

Het bolsjewisme kreeg hiermee een belangrijke impuls. Zij namen de redacties van de linkse kranten over en de rechtse pers werd verboden. Onder de contrarevolutionairen waren ook Joden die zich met Rusland identificeerden. Zij wilden geen chaos, zij wilden niet de talloze revolutionaire sovjets van boeren, arbeiders, vaklieden en soldaten die het land in handen hadden. Die sovjets waren echter niet representatief voor diegenen die zij vertegenwoordigden. De contrarevolutionairen streden tegen linkse krachten die de revolutie wilden verdiepen. Solzjenitsyn wijst erop dat de Joden de vele revolutionaire bewegingen niet domineerden, maar er wel prominent aanwezig waren. Naarmate de revolutie vorderde, kregen de Joodse revolutionairen de overhand in de revolutionaire organen. Toch heeft er gedurende het jaar 1917 geen pogrom plaatsgevonden.

Voorts telden de contrarevolutionaire krachten, naast Russen, ook vele Joden die niets van de revolutie wilden weten en de bolsjewieken (geleid door Trotski) vreesden. De Oktoberputsch was niet het werk van Joden alleen. Maar al spoedig sloten Joden zich bij de bolsjewieken aan en de revolutie kon zich uitbreiden en bestendigen. Solzjenitsyn wijst erop dat het niet om Joden gaat, maar om afvalligen en godloochenaars, zoals de autochtone Russische revolutionairen. Ook zij waren sterk anti-Russisch en antigodsdienstig. De grote Russische cultuur werd door hen ontworteld [zoals de Franse revolutionairen deden in 1789, JvR]. Desalniettemin mag geen enkel volk zijn renegaten wegdenken. Lenin, volgens Solzjenitsyn niet van Joodsen huize zoals Trotski, maar een autochtone Rus [een betwist standpunt, JvR], haatte Rusland en de orthodoxe religie. In 1921 heeft hij zelfs zijn eigen geboortestreek aan de Wolga uitgehongerd.

Onder de overige revolutionairen van het eerste uur waren een aanzienlijk aantal Joden. In 1907, tijdens het eerste congres van de bolsjewieken en mensjewieken in Londen waren er 160 Joden op 302 deelnemers. In 1917 telde de eerste Centrale Sovjet 3 Joden op 9 leden, de tweede Centrale Sovjet 4 Joden op 11 leden en op 10 oktober, toen het besluit viel voor de putsch van de bolsjewieken, 6 Joden op 12 leden (nl. Trotski, Zinovjev, Kamenev, Sokolnikov, Sverdlov, Oeritski). Trotski was de sterke man van de putsch, Lenin hield zich op de achtergrond. Op 24 oktober veroverde Trotski gewapenderhand Sint-Petersburg, huis voor huis.

Uit die Centrale Sovjet werd het eerste politbureau samengesteld: 4 Joden (Trotski, Zinovjev, Kamenev en Sokolnikov) op 7 leden. Solzjenitsyn stelt dat “het aantal (revolutionaire) afvallige Joden een te groot aantal stoelen van de bolsjewistische commissarissen bezet”. Lenin werd de architect van de bestendiging van de revolutie door de onvrede en frustraties van de grote massa Joden in centraal Rusland te gebruiken. De eerste maanden waren de revolutionaire coupplegers erg zwak. Vanaf januari 1918 kon de revolutie zich echter meester maken van de staatsorganen doordat talloze kundige Joden uit de intelligentsia de plek innamen van de Russische ambtenaren die de bolsjewieken vijandig gezind waren. Ze bestreden ook actief de contrarevolutionaire krachten. De nieuwe bestuurders van hun kant vonden steun bij lokale minderheden, zoals Letten, Polen en Hongaren, om de meerderheid van autochtone Russen eronder te kunnen houden of met de politie en geheime dienst te kunnen terroriseren.

Lenin zag in dat de Joden de redding van de revolutie waren. Duizenden trokken naar de steden om zich aan te sluiten bij de bolsjewieken, niet zozeer uit ideologie, maar uit Joods eigenbelang. De bolsjewieken werden namelijk gezien als betrouwbare, Joodsgezinde internationalisten die de revolutie konden bestendigen. De latere, nieuwe communistische elite kwam voort uit deze Joodse massabeweging die vele kundige bestuurders voortbracht. Het presidium na de Oktoberrevolutie telde 6 leden, waaronder 4 Joden (Sverdlov, Kamenev, Volodarski en Svétlov-Nakhamkis). Trotski was opperbevelhebber van het Rode Leger. Door kundig leiderschap kon de revolutie spoedig overgaan tot de opbouw van een nieuwe sovjetsamenleving. De jaren twintig waren het hoogtepunt van de Joodse ontplooiing in de Sovjet-Unie. In de jaren dertig onder Stalin begon, met de industrialisatieprogramma’s, de russificatie van de Sovjet-Unie. Met de opkomst van Hitler moest Stalin de staatsorganen ontdoen van Joodse bestuurders om het patriottisme onder de Russische massa te stimuleren ten behoeve van de onvermijdelijke oorlog. De grote massa Russen moest loyaal worden aan de sovjetstaat. Begin jaren veertig kwam de breuk met het internationale judaïsme. Joden en communisten werden gegrepen door angst en schaamte over de disproportionele deelname van de Joden aan de revolutie. De Joden trachtten zich te verdedigen door naar antisemitische intenties te verwijzen. Stalin had een obsessie voor het Joodse complot, de jaren vijftig waren sterk anti-Joods. Hij overleed in 1953, op het Poerimfeest (februari/maart, de redding van de Joden in Perzië door koningin Esther). Stalin is waarschijnlijk vermoord in opdracht van of met medeweten van zijn medewerker Lavrenti Beria. De Joodse artsen werden vrijgesproken van enige betrokkenheid.

In de jaren ’70 en ’80 kwam de algemene bewustwording op gang over de Joodse invloed op de Oktoberrevolutie. Solzjenitsyn stelt dat de Joodse betrokkenheid geen taboe mag worden, anders wordt de Oktoberrevolutie van 1917 onbespreekbaar. Hij wijst op de jaren dat de nieuwe sovjetmens trots was op zijn deelname. Zijn invloed oversteeg de staatsorganen, het betrof een massabeweging. In de jaren ’70 en ’80 weerklonk van Joodse zijde de erkenning dat de Joden het brede, sociale draagvlak voor de revolutie vormden.

Het einde van de tsaar

Solzjenitsyn wijst meermaals op de onontbeerlijke Amerikaanse financiële en materiele steun aan de revolutie en, in een later stadium, aan het sovjetregime. Amerikanen onder het toeziend oog van Wall Street (Carnegie, Morgan en Rothschild) financierden en leverden materieel aan de bolsjewieken voor de industrialisatie van de Sovjet-Unie. Met de tsaristische regering wilden de bankiers geen zaken doen. Integendeel, in plaats van financiële steun, mobiliseerden zij de publieke opinie decennialang tegen het tsaristisch bewind, als zijnde anti-Joods. De Amerikaanse historicus A. Sutton stigmatiseert het amorele karakter van deze relaties. Solzjenitsyn ziet de parallelle belangen van bolsjewieken en bankiers: een centraal gezag om de economie te controleren en om zaken mee te doen, goedkope arbeidskrachten en het internationalisme, een wereld zonder grenzen.

De dood van de tsaar en zijn familie komen voor rekening van Russen, Letten en Hongaren. De tsaar en zijn familie waren niet welkom bij zijn neef, de Engelse koning. De ultieme beslissing kwam van Lenin en alle leden van het hierboven vermelde presidium stonden achter hem. Sverdlov gaf de opdracht en Joerovski organiseerde de moord op de familie, bijgestaan door 6 Russen, Letten en Hongaren. Hij had de dodelijke colt in handen. Maar hier bleef het niet bij. Na het gezin van de tsaar volgde zijn broer, Michaël Aleksandrovitsj. In 1918 volgden miljoenen anderen: adellijke families, officieren, priesters, burgers, boeren, allen Russen. Miljoenen Slaven stierven door de kogel of door verdrinking. Solzjenitsyn benadrukt het anti-Slavische karakter en wijst op “de droom van Engels en Marx.”

Naschrift van de auteur

De steun vanuit de VS en het VK voor, tijdens en na de revolutie is essentieel geweest voor het welslagen van de revolutie en later voor de bestendiging van de Sovjet-Unie.

Het was een voortzetting van het Britse beleid gedurende de hele 19e eeuw, vanaf de Franse revolutie. In 1917 zat Sint-Petersburg vol Britse spionnen en agitatoren. De Britse ambassadeur in Sint-Petersburg was door zijn regering belast met het verdelen van fondsen voor Lenin, afkomstig van 7 Britse en Amerikaanse bankiers, waaronder Jacob Schiff en zijn schoonzoon, de stichter van de Amerikaanse federale bank. Allen waren leden van de Joodse loge. Trotski had tientallen miljoenen dollars uit de VS ter beschikking gekregen voor het uitvoeren van de staatsgreep. Dit paste in het bredere kader van WO I en de vredesonderhandelingen in Versailles in 1918-1919. De maçonnieke oorlogsdoelen van 1914, de vernietiging van de drie Europese keizerrijken, inclusief het rijk van de orthodoxe tsaar, was bereikt. De inmiddels door paus Johannes Paulus II heilig verklaarde Habsburgse keizer van Oostenrijk, Karel I (1916-1918), werd in 1918 met zijn gezin op een Brits oorlogsschip te Madeira gevangengezet.

In Versailles zaten uitsluitend vrijmetselaars aan tafel. Het verraad van Clemenceau met het omstreden verdrag, dat “20 jaar wapenstilstand betekende” (Foch) en het Anglo-Amerikaanse verbod aan Frankrijk om Duitsland te bezetten en om de contrarevolutionairen in Rusland (de Wit-Russen) te helpen (een militair plan van maarschalk Foch), hebben geleid tot meer dan een halve eeuw Anglo-Amerikaanse suprematie op het Europese continent.

In die troebele maar beslissende eerste jaren van de revolutie van 1917 hebben Britse eenheden zelfs wapenvoorraden, bestemd voor de Wit-Russen in hun strijd tegen de bolsjewieken, vernietigd. De bolsjewieken pasten in de Anglo-Amerikaanse plannen en dienden geostrategische doelen: verdeel en heers over Europa. In 1945, in Jalta, kwam het zover en werd Europa in twee blokken verdeeld. Daarentegen is de recente, nieuwe as Parijs-Berlijn-Moskou een garantie voor een duurzame vrede en de belangrijkste geostrategische ommekeer sinds twee eeuwen. Noch Napoleon, noch Hitler of Stalin is erin geslaagd het Europese continent te verenigen. De bekende geostrateeg Mackinder draait zich om in zijn graf. Het Europese, Joods-christelijke heartland, tegenover de schaakmat gezette, maçonniek aangestuurde Anglo-Amerikaanse rimlands. Tenzij ze er in slagen de Turken alsnog Europa binnen te loodsen, dreigen de rimlands voor het eerst sinds twee eeuwen buitenspel te staan. Door de strategische gas- en oliereserves van Rusland en de groeiende, onderlinge verwevenheid in Europa lijken noch Britten, noch Amerikanen er nog een keer tussen te kunnen komen. De Anglo-Amerikaanse wereldhegemonie lijkt te zijn afgestopt. De geografie is sterker dan de perfide, verdeel-en-heersintriges en -complotten die Europa twee eeuwen lang zoveel ellende hebben gebracht.

NVDR

Wij zijn niet helemaal overtuigd door de conclusie van onze ge-eerde auteur. Het is juist dat de Russische revolutie steun ondervond vanuit de vrijzinnige Angelsaksische wereld. Het is eveneens juist dat de as Parijs-Berlijn-Moskou zich nu steeds meer aftekent. Dit gebeurt dan wel onder het thema van de zestig jaar oude vroegere Sovjet en huidige Russische politiek voor het gemeenschappelijk Europees Huis. Het Kremlin zou in deze visie dan de federator van dit Europa worden. Voor ons lijkt dit om vele redenen hier reeds meermaals beschreven helemaal geen goede zaak. Europa moet eerst in het reine komen met de perestrojka-politiek, de moed hebben zichzelf te zijn opdat het zich zeker noch van vriend, noch van vijand zou vergissen… [P.H.]

Streamers

Vanaf de eeuwwisseling krijgen de revolutionairen steun van Brits-joodse en Amerikaans-joodse bankiers onder wie Jacob Schiff.

Het lijkt dat de tsaar, noch de regering iets te maken had met de pogroms tegen de Joden.

Solzjenitsyn verwondert zich over het vermogen van Joden om in turbulente tijden toch zichzelf te blijven.

Voor Lenin waren de Joden de redders van de revolutie.

Solzjenitsyn stelt dat de Joodse betrokkenheid geen taboe mag worden, anders wordt 1917 onbespreekbaar.

www.nucleusopinion.net

14:57 Gepost door gepost door Kris Roman in Geopolitica nederlands | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

30-09-07

De Europese rijksgedachte

rf_g4

Door Robert Steuckers

Inleiding

Geopolitiek is een studie van geschiedenis en aardrijkskunde en dus van ruimte en tijd. Geopolitiek is een verzameling disciplines (niet één discipline) die een goed beheer van ruimte en tijd beoogt. Geen macht kan immers overleven zonder de noodzakelijke continuïteit van tijd en ruimte. Vanuit een niet-lineaire (cyclische of sferische) tijdsopvatting is het verleden nooit een afgesloten hoofdstuk. Zo is de rijksgedachte nog springlevend voor Hongaren en Serviërs. In de geopolitieke geschriften van de heer Steuckers speelt de Balkan bijgevolg een zeer belangrijke rol en zo ook in deze lezing. Als men spreekt over spirituele decadentie, dan betekent dat volgens hem evenzeer dat men zijn eigen aardrijkskundige milieu niet meer correct begrijpt. Julius Evola spreekt immers in Révolte contre le monde moderne van de numena[1], de krachten uit de natuur of uit de fysische gegevens, die de spirituele mens niet kan loochenen. Tot slot: een onontbeerlijk hulpmiddel in de geopolitiek van de rijksgedachte zijn historische atlassen, zoals die van Colin McEvedy. Zij behandelen de menselijke geschiedenis immers vanuit culturen en beschavingen, volkeren en rassen. Kortom, vanuit een organische zienswijze.

1. De oudste bronnen

Elke rijksgedachte heeft drie dimensies: een symbolische, een geografische en een praktische. Het gaat dan respectievelijk om een spirituele bron, een politieke ruimte en een communicatiemiddel. In de 19de eeuw hadden vooral Groot-Brittannië en Duitsland een belangrijke filologische traditie. Niettemin was het Frankrijk dat met betrekking tot het onderwerp van deze lezing een belangrijke filoloog voortbracht: Arthur de Gobineau. Filologen zochten de bronnen van de Indo-Europese beschaving in de vergelijkende taalwetenschap, meer bepaald die van het Grieks, het Latijn en het Sanskriet. Het was gemeengoed onder de humanisten van die tijd om de wortels van de Europese Beschaving in het Oude Griekenland te zoeken. Maar welk Griekenland? Ons moderne beeld van het Oude Griekenland is immers herleid tot iets intellectualistisch en sofistisch. De grote verdienste van Gobineau, oud-ambassadeur te Teheran, is dat hij als eerste Europeaan erop gewezen heeft dat de oudste bronnen van de Indo-Europese beschaving Iraans (Arisch) waren en niet Grieks. Zijn werk zou later een grote invloed hebben op dat van Léopold Sédar Senghor en Henri Corbin.

1.1 De Iraanse

De oorsprong van de rijksgedachte leidt ons naar de protohistorie. Er is in dezen geen strikt onderscheid tussen prehistorische, historische en metahistorische feiten. Elk rijk heeft vooreerst een stichter. In de Indo-Europese traditie (Indo-Iraanse) traditie is dat de mythische figuur van de zegevierende koning-held Rama (ook Yama of Yima genoemd). Hij moest in een ver verleden zijn noordse oerheimat verlaten na de komst van een “eeuwige winter” en zijn volk zuidwaarts leidden naar de Kaukasus, de Oeral en de Hindoekoesj. Met andere woorden: van Rusland naar Afghanistan, Europa, Iran en India[2]. Volgens Colin McEvedy mag de Indo-Europese bakermat niet worden herleid tot een klein gebied. Hetzelfde geldt eveneens voor de Afro-Aziatische en de Elamitisch-Dravidische bakermat. Er wordt te weinig rekening gehouden met de grote beweeglijkheid van die volkeren. De oerheimat van de Indo-Europeanen bestreek volgens McEvedy het hele gebied van de Noordzee tot de Kaspische Zee. Hij treedt aldus de Duitse archeoloog Lothar Kilian bij.

De Indo-Europeanen verwierven in het Midden Oosten naam en faam als ruitervolk. Zij leenden zelfs ruiters aan Semitische en Elamitisch-Dravidische volkeren. Omstreeks 1800 v. Chr. veroverden de ruitervolkeren de Elamitisch-Dravidische beschaving in Iran. Ze vormden er een ruiteraristocratie bij Dravidische volkeren (bijv. Kassieten) of bij Kaukasische (bijv. Hoerrieten). Die laatste werden militair georganiseerd door de Indo-Europese Mitanni. Tussen 1600-1400 v. Chr. vielen de Indo-Europese Tocharen China binnen en legden er de grondslagen voor de latere Chinese rijken. Omstreeks 1275 v. Chr. bezetten drie verschillende Indo-Europese (Indo-Iraanse) takken in het Midden Oosten[3]: de Cimmeriërs-Scythen, de Iraniërs en de Indiërs.

In 714 v. Chr. wierpen Cimmerische en Scythische legers het Hoerritische koninkrijk Oerartoe omver en ze vestigden zich in Anatolië. In 705 v. Chr. versloegen zij de Assyriërs. Tot de komst van de islam zouden er geen Semitische rijken meer in het Midden Oosten zijn, maar wel Scythische, Cimmerische, Medische, Perzische, Griekse, Macedonische, Parthische of Romeinse. De Perzen, een kleine stam uit Zuid-Iran, namen in 539 v. Chr. de leiding van het geheel over van de Meden. De leer van de religieuze hervormer Zoroaster of Zarathoestra kon zich aldus over het hele Midden Oosten verspreiden en een belangrijke Indo-Europese stempel drukken op de wereldgeschiedenis en de wereldgodsdiensten. Cyrus de Grote stond ook na de verovering van Babylon en Mesopotamië bekend als een edelmoedige veroveraar. De Romeinse keizers Trajanus en Julianus zagen het belang in van de Perzische Golf als een venster op de Indische Oceaan. Mesopotamië zou later nog dikwijls het strijdtoneel worden van Oost en West…

1.2 De Romeinse

Het einde van de Derde Punische Oorlog in 146 v. Chr. luidde het einde in van de Romeinse Republiek, zoals zij tot dan toe had bestaan. Het leger werd voortaan het instrument van een rijk dat het Iberische schiereiland, Noord-Afrika en Turkije omvatte. Die expansie vereiste een sterkere militaire organisatie van de onbestuurbaar geworden Republiek. Er brak een burgeroorlog uit tussen optimates[4] van de “conservatieve” Sulla en de populares[5] van de “progressieve” Marius. Marius voerde verschillende belangrijke hervormingen door. Zo werd het huurlingenleger bestaande uit boeren vervangen door een beroepsleger bestaande uit legionairs. Marius versloeg in 102 v. Chr. de Teutonen bij Aquae Sextiae (Aix-en-Provence) en in 101 v. Chr. de Kimbren bij Vercellae (Vercelli), nadat geen van de vorige consuls erin geslaagd was de Germaanse opmars naar Rome af te slaan. Marius werd zelfs beschouwd als “derde stichter van Rome” (Plutarchus) en zou uiteindelijk zeven keer consul worden. De figuur van de zegevierende generaal herinnerde onder anderen aan Rama, maar dat zou later evenzeer gelden voor Julius Caesar en Otto de Grote.

Consul Gaius Julius Caesar – nog geen caesar of keizer – trad later met zijn veldtocht door Gallië in de voetsporen van Marius. Nu volgt de geopolitieke dimensie: Marius besefte dat het Italische schiereiland bij de Rhône moest worden verdedigd. Caesar ging nog verder en besefte dat de Rhône, de Sâone en de Doubs één geheel vormden met de Rijn. Het was die laatste die door de Sequanen te hulp werd geroepen tegen Germaanse invallers (Sueven of Zwaben). Caesar werd na zijn Gallische veldtocht “dictator voor het leven”. Hij werd door zijn tijdgenoten niet alleen gezien als een zegevierende generaal, maar eveneens als een heerser over de rivierbekkens. Rivierbekkens bepaalden de territoriale organisatie van het Romeinse Rijk, niet volk of taal. De latere keizers moesten door de verdere uitbreiding van het Rijk bovendien niet alleen de bekkens van de Rhône en de Rijn, maar ook die van de Donau beheersen. De beheersing van het Donau was niet alleen toen van groot strategisch belang voor Europa, maar is het nu nog steeds. De beheersing van de Donau is hét doel van de NAVO in de Balkan (cf. Edward Luttwak, Zbigniew Brzezinski).

In 105 n. Chr. voltooide keizer Trajanus Caesars geopolitieke strategie door Dacië – de enige Romeinse provincie ten noorden van de Donau – te veroveren. De controle over de Balkan verleende hem toegang tot de Zwarte Zee en zelfs Anatolië, Armenië en Mesopotamië (113-117 n. Chr.). Hij was de eerste Europese keizer die de Perzische Golf bereikt had. Zijn opvolger keizer Hadrianus achtte het wijselijk om zich strategisch terugtrekken achter de Eufraat (uit Assyrië en Mesopotamië). De frontlinie tegen de Parthen was immers te lang geworden. De duurzame vrede in het Romeinse Rijk die daarvan het gevolg was, liet een culturele en economische bloei toe.

De Ottomanen konden Mesopotamië slechts veroveren in de 16de eeuw, nadat ze eerst de controle over de Balkan hadden verworven. Zo was de Slag op het Merelveld of Kosovo Polje (1389) al het voorspel van de Val van Constantinopel (1453). Moskou zou na Constantinopel het Derde Rome worden. Wat ooit voor de Ottomanen gold, geldt nog steeds voor de Amerikanen. Zij brachten vanaf 1999 stelselmatig hun Brzezinski-strategie in de praktijk. Een eerste stap in die strategie was de inplanting van grote militaire bases in de Balkan, waarin ze pas echt geslaagd zijn na de bombardementen op Servië. Een tweede stap waren Afghanistan en Oezbekistan. Een derde stap was uiteindelijk Mesopotamië (Irak). De Amerikanen werpen zich ten aanzien van Europa (Rusland incluis) op als de verdediger van de Ottomaanse erfenis. De strategie van de Britse en later de Amerikaanse zeemachten is al oud en houdt onder andere in dat geen enkele Europese landmacht controle over de Perzische Golf – het venster op de Indische Oceaan – mag hebben. De organisatie van de economie of de infrastructuur in het Midden Oosten door Europeanen of allianties van Europeanen willen ze te allen prijze verhinderen.

Geopolitiek = Hydropolitiek

Het Romeinse Rijk had het Middellandse-Zeegebied als kerngebied, maar het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie kon nooit een gelijkaardig kerngebied vinden. De waterwegen van Midden Europa leiden naar de Noordzee, de Baltische Zee of de Zwarte Zee, maar zonder een onderlinge verbinding. Van de rivierbekkens van Frankrijk en Rusland gaat een middelpuntzoekende kracht uit: vanuit respectievelijk Parijs of Moskou kan men het hele land beheersen. Van de rivierbekkens in Duitsland gaat echter een middelpuntvliedende kracht uit: de rivieren lopen immers veelal evenwijdig met elkaar. De Karolingers dachten net zoals de Romeinen in hydropolitieke termen. Ze zagen al de noodzaak in om het vrije verkeer op de Donau te herstellen en om een continentale rivierverbinding te graven tussen Rijn en Donau (Fossa Carolina). De opdeling van het Frankische Rijk met het Verdrag van Verdun (843) gebeurde eveneens volgens de rivierbekkens.

De as Boedapest-Wenen-Belgrado was steeds de achilleshiel van de Romeinse verdediging. Er waren tien legioenen gestationeerd, omdat de Pannonische/Hongaarse vlakte (Poesta) een bres vormde in een natuurlijke bergachtige verdedigingslinie. De ruiterij bestond vooral uit huurlingen[6]. Na de inval van de Aziatische Hunnen verwierven die laatste de controle over het centrale Donau-bekken. De Hunnen konden echter niet ingeschakeld worden als ruiterij. Er ontstond aldus een machtsvacuüm voor een tijdsspanne van ongeveer 500 jaar. In Europa bestond ook vóór 814 (de dood van Karel de Grote) steeds een zeker heimwee naar het Romeinse Rijk. Niettemin moet het beleid van Karel de Grote als een geopolitieke mislukking worden beschouwd. Hij slaagde er immers niet in de controle over het Donau-bekken te heroveren. De Donau was en is van cruciaal en vitaal belang voor Europa’s eenheid (vrede, orde, bloei).

De NAVO-strategieën – zoals geformuleerd door onder anderen Brzezinski en Luttwak – beogen Europa’s opdeling tussen Old Europe en New Europe, respectievelijk moeilijke en gemakkelijke VS-vazallen. De strategen van het Pentagon beseffen beter het belang van de Balkan en de Donau dan hun Europese collega’s. Een anti-imperialistisch regime zoals het Servische van Milosevic paste dan ook niet in hun strategie. Wie echter zegt dat de Europeanen kort van geheugen zijn, dat de rijksgedachte dood is, vergeet de duizenden Serviërs die zich in 1999 op en rond de bruggen van Belgrado en Novi Sad verzamelden om een levend schild te vormen tegen de misdadige NAVO-bombardementen. Onder NAVO-vlag hebben Europeanen toen Europeanen gebombardeerd! Het maffieuze UCK kreeg zowel de steun van de NAVO als van Al Qaeda. De bombardementen op de bruggen over de Donau hadden – evenmin toevallig – economische gevolgen tot in Oostenrijk.

De Karolingers

In 800 herstelde Karel de Grote, koning der Franken en Longobarden, de orde in Rome, zodat de weggejaagde paus Leo III kon terugkeren. De paus verleende hem daarvoor de keizertitel. Noch Karel de Grote noch de Frankische adel namen echter die titel ernstig. (Hij wou liever zichzelf kronen.) Karel de Grote zag immers zichzelf in overeenstemming met de traditie als mainbour[7]. Een eerste gevolg was de ontluikende investituurstrijd, een tweede het tweekeizersprobleem. De paus verwachtte van Karel de Grote dat hij ten strijde zou trekken tegen de Byzantijnen, terwijl die laatste terecht alleen in de Saracenen een gevaar zag. Een toenadering tussen het Frankische en het Byzantijnse Rijk was mogelijk geweest door een gearrangeerd huwelijk, maar – hoe stom het ook moge klinken – Karel de Grote wilde zijn dochters liever bij zich in de buurt hebben. In 812 erkende het Byzantijnse Rijk dan toch het Frankische Rijk. De Duits-protestantse interpretatie van Karel de Grote als de eerste grote keizer is dus vals. Karel de Grote heerste slechts over de Rhône en de Rijn. Het Westen en de Atlantische Oceaan stelden toen nog niets voor. De Donau en de Middellandse Zee waren belangrijk. Als gevolg van die geopolitieke zwakte had het Frankische Rijk af te rekenen met invallen uit alle windrichtingen: o.a. Magyaren[8] uit het oosten, Saracenen[9] uit het zuiden, en Vikingen[10] uit het noorden. De opvolger van Karel de Grote, keizer Lodewijk de Vrome, was op zijn zachtst gezegd géén referentie voor de rijksgedachte.

De Ottonen

Hoewel imperium en imperialisme niet met elkaar mogen worden verward, heeft elk rijk een (geestelijke) natie als drager. Zo was er sprake van de Senatus Populusque Romanus[11] (SPQR) en het Heilige Rooms Rijk der Duitse Natie. De translatio imperii ad Germanos[12] bepaalde dat de keizer van Germaanse afkomst moest zijn. De eerste grote keizer was zoals gezegd niet de Frank Karel de Grote, maar wel de Saks Otto de Grote. Hij was de stichter van de Ottoonse dynastie en tevens van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. Otto de Grote dankte zijn keizertitel aan de belangrijke zege die hij behaalde tegen de Magyaren in de Slag bij Lechfeld (955). Als gevolg van die zege “bekeerden” de heidense Magyaren zich tot het christendom. Die bekering hield in dat de nieuwe Magyaarse khan Arpad I plechtig trouw zwoer aan de Christenheid, de Europese Beschaving. Arpad I schakelde zich anders dan de Hunnen wél in in de grensverdediging en liet geen nieuwe stammen toe in zijn land. De Magyaren moesten met andere woorden hun geopolitieke koers 180° draaien. De imperiale dynamiek die de overwinning van Otto de Grote teweegbracht, zorgde in heel Europa voor economische en demografische groei. Na de Val van Constantinopel (1453) deed paus Pius II[13], oud-kanselier van keizer Frederik III, de Ottomanen een gelijkaardig voorstel, maar hun sultan wees dat af. Het zou trouwens geen loze eed blijken voor de Magyaren (Hongaren), want tot 1945 kwamen er geen invallen meer uit het oosten. Tijdens de Hongaarse Opstand van 1956 herinnerden de nationalistische opstandelingen opnieuw aan de eed van Arpad I.

Het rijk werd geopolitiek hersteld, omdat Pannonië/Hongarije geen doorgangsweg meer was voor Aziatische nomadenvolkeren. Het hele Donau-bekken werd bijgevolg hetzij Rooms-Germaans, hetzij Grieks-Byzantijns. In 1919 vernielden de vijanden van Europa met het Verdrag van Versailles (voor Duitsland) en het Verdrag van Trianon (voor Oostenrijk-Hongarije) wat de rijksgedachte had beoogd in de Balkan en ze herstelden de oude vetes uit donkere tijden. Langs de Donau werden zoveel mogelijk kunstmatige en vijandige staatjes uitgetekend met sterke (Hongaarse) minderheden. De oorlogen in ex-Joegoslavië hebben aangetoond dat de Balkan een zone van permanente instabiliteit is. Alleen het lange heugen, de rijksgedachte, kan ons opnieuw tot subject – en niet object – van ons eigen lot maken. De lineaire of progressieve tijdsopvatting leidt tot geheugenverlies. Ze maakt van Europa een macht zonder wil.

De Kruistochten

De opvolgers van Otto de Grote waren zwakke figuren. Over de Ottoonse dynastie werd bijgevolg niet verder uitgeweid in de lezing. De volgende grote dynastie was de Koenradijnse. Het was de verdienste van Koenraad II dat hij Bourgondië en Provence (de rivierbekkens!) als Duitse provinciën organiseerde. Een ramp voor Europa was echter wel de investituurstrijd tussen het pausschap en het keizerschap, evenals de verschillende schismata tussen Oost en West (vanaf 1054). Onder paus Urbanus II kwam er verbetering, omdat hij de ridders en ridderorden nodig had voor de Kruistochten. Die onderneming vereiste een bundeling van de politieke, de militaire en de spirituele krachten. De scheiding van die krachten – of beter van macht (potestas) enerzijds en gezag (auctoritas) anderzijds – is een belangrijke oorzaak van het verval van de Europese Beschaving. De Europese ridderorden belichaamden als “gewapende priesters” een kortstondige heroïsche restauratie van de Europese Beschaving. In het Midden Oosten herontdekten zij bovendien de Indo-Europese (Indo-Iraanse) bron van de ridderlijke ethiek en spiritualiteit. Een spiritualiteit van de ridderlijke actie, tegenover een van de priesterlijke contemplatie. Een gevolg van die herbronning was dat de Tempeliers in 1314 na een schijnproces van “ketterij” werden beschuldigd en op de brandstapel gezet. De Franse koning en de Roomse paus spanden om uiteenlopende laag-bij-de-grondse motieven samen in dezen. De middeleeuwse kroniekschrijvers vertelden dat de laatste Grootmeester van de Tempeliers, Jacques de Molay, die gedurende zijn schijnproces had gezwegen, beiden vervloekt had van op de brandstapel. Alleszins zijn zowel de paus als de koning datzelfde jaar nog gestorven en stierf na één generatie de lijn van Filips de Schone uit (begin van de 100-jarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk).

De Staufers

De laatste grote dynastie was de Zwabische van Hohenstaufen. Naast Frederik I Barbarossa, is vooral Frederik II bekend. Frederik II was als keizer zijn tijd ver vooruit, in de positieve zin welteverstaan. Hij trachtte het Mare Nostrum te herstellen met Sicilië als kerngebied. Als Sicilië met in het verlengde Triëste en Boedapest strategisch verenigd waren, dan had Europa alle invallen van woestijn- en steppevolkeren kunnen trotseren.

Door de voortdurende investituurstrijd liep zijn poging uit op een tragische mislukking. Sinds de voltooiing van het Rijn-Main-Donau Kanaal in 1992 is pas een nieuwe rijksvorm mogelijk. Er is nu immers één waterweg tussen de Noordzee en de Zwarte Zee, die de commerciële en culturele krachten van Midden Europa toelaat de landen van de Zwarte Zee en de Kaukasus te bereiken. Degenen die een goed historisch geheugen hebben, herinneren zich de rol van de kusten van de Zwarte Zee in de geestelijke geschiedenis van Europa: op de Krim werden verschillende oude tradities – zij het Heidens of Byzantijns – in grotten bewaard door monniken. Zo kan Europa opnieuw aanknopen met zijn oudste wortels, met de waarden van de oudste ridderlijkheid uit de wereldgeschiedenis. Dat kan de ontwikkeling van gelijkaardige geestelijke krachten in Midden- en West-Europa gunstig beïnvloeden.

Frederik II had eveneens het Midden Oosten nauwkeurig geobserveerd en kwam tot het besluit dat de moslims grotendeels werden overheerst door Koerden en Perzen. Hij besefte – anders dan zijn tijdgenoten – terdege dat die laatste Indo-Europese volkeren waren en dat met hen wel te praten viel. Hij zette daarom een eigen keizerlijke diplomatie op, niet tegen de paus maar wel buiten diens medeweten. Frederik II bewonderde niet zozeer de islam, als wel de Arabisch-Perzische kunst om een duurzaam rijk op te bouwen. In 1229 leidde zijn diplomatieke en geopolitieke talent tot de Vrede van Jaffa en de vreedzame herovering van Jeruzalem. Frederik II was tevens voorstander van een eigen keizerlijk hospitalen- en scholennet en van een arme Kerk in overeenstemming met beginselen van Sint-Franciscus van Assisi. Hij joeg aldus weliswaar de Rooms-katholieke Kerk tegen zich in het harnas, maar hem daarom “verlicht” of “verdraagzaam” noemen is onzin. In 1240-’41 leidde de voortdurende investituurstrijd tot nieuwe Turks-Mongoolse invallen in Oost-Europa.

De Habsburgers

Het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie naderde zijn einde, het officieuze in 1648 (Vrede van Westfalen) en het officiële in 1806 (oprichting van de Rijnbond). Een laatste grote keizer was de Habsburger en Gentenaar Karel V. Opnieuw wordt zijn bewind gekenmerkt door een verstandshuwelijk tussen een Franse koning (Frans I) en een Roomse paus (Clemens VII). Eigenaardig genoeg was opnieuw de keizer en niet de paus in dezen de grote verdediger van het katholieke Europa. Door zich met de Fransen tegen de keizer te keren, kreeg de paus er immers een Ottomaanse “bondgenoot” bij. Karel V moest dus op meerdere fronten vechten, maar slaagde er niettemin telkens in het belegerde Wenen te ontzetten. Een Franse nationalist kan zich vandaag de dag onmogelijk tegelijk beroepen op Karel Martel – nota bene een man uit onze contreien – én op ronduit anti-Europese koningen als Filips de Schone, Frans I en Lodewijk XIV. De Rooms-katholieke Kerk keerde zich deels bezorgd om haar geestelijke gezag, deels om haar wereldlijke macht (de Pauselijke Staten) liever tegen de keizers. Een rampzalige geopolitieke stommiteit.

Onder paus Innocentius XI werden nieuwe kruistochten georganiseerd, maar dan in Europa. De Ottomanen rukten op door de Balkan in de richting van Wenen. Zij wilden eveneens de Donau veroveren, maar dan vanuit hun geopolitieke perspectief. De paus steunde met grote sommen geld de kruisvaarders, voornamelijk van Poolse afkomst (bijv. Jan van Sobieski). Tijdens het Tweede Beleg van Wenen (1683) waren het vrouwen en studenten (voorlopers van de Burschenschaften) gekleed in juten zakken die de kanonnen bedienden en de beroemde Janitsaren, de elite van het Turkse leger, tegenhielden. De ontzetting van Wenen door de Poolse koning Jan van Sobieski en diens Heilige Alliantie was het startschot voor de bevrijding van de Balkan en de Krim door prins Eugène van Savoye en diens gelijknamige alliantie. Die laatste verbeterde voorts onder andere de verdediging van de Pannonische/Hongaarse bres en nam een Donau-vloot in gebruik. De Europese geschiedenis dient véél meer te worden beschouwd in het licht van dergelijke continentale allianties.

In de 18de eeuw werden de Zuidelijke Nederlanden een deel van dat zegevierende Oostenrijkse Keizerrijk. In de Franse en Napoleontische tijd (1794-1815) waren onze contreien overwegend anti-Fransgezind, maar wel rijksgezind. Getuige daarvan de Boerenkrijg pro aris et focis[14]. Zo werden de brigands in Brabant geleid door een oud-officier van het Oostenrijkse leger, Charles-François Jacqmin alias “Charlepoeng”. De gilden die na de Napoleontische tijd opnieuw de aansluiting vroegen bij het Oostenrijkse Keizerrijk – maar met méér zelfstandigheid – vormen volgens de heer Steuckers het bewijs dat het rijk voldoende volkse legitimiteit bezat.

Organisatie en communicatie

De heer Steuckers haalde tot slot Tijl Uilenspiegel van Charles De Coster aan om het belangrijkste organisatiebeginsel toe te lichten, namelijk het subsidiariteitsbeginsel. Die volksheld van de Lage Landen die zich verzet tegen de Spaanse overheersing wijst ons op het verschil tussen enerzijds het traditionele koningschap en anderzijds het absolutistische koningschap en zijn moderne varianten. De rijksgedachte beoogt geen gelijkschakeling (naar beneden) maar een ordening (naar boven). De moderne ideologieën zijn in wezen totalitair, want ze vloeien voort uit de tabula rasa van het absolutisme en het jacobinisme. Dat absolutisme-jacobinisme wilde een organische eenheid (de edelen, gilden, standen, provincies, talen) vervangen door een abstracte mechanische eenheid (de ene en ondeelbare republiek).

Naast het subsidiariteitsbeginsel heeft elk rijk een communicatienetwerk nodig voor culturele en commerciële uitwisseling. Dat is een eerste voorwaarde voor een lange geschiedenis. Sommige traditionele rijken steunden op postboden (Iran), andere op waterwegen (Egypte, Mesopotamië, China) of op landwegen (Rome). Aangezien de geschiedenis niet stilstaat, mag men vandaag de dag de ontwikkeling van de vliegtuigbouw (cf. Boeing versus Airbus) en de satellietbouw (cf. Echelon versus Galileo) zeker niet uit het oog verliezen. Door het mislukken van het Galileo-project is er tot op heden echter géén onafhankelijk Europees communicatienetwerk. Het Amerikaanse communicatie- en spionagenetwerk Echelon heeft er een slaafse Europese “klant” bij.

Besluit van de censor

Ons nationalisme van de 21ste eeuw moet een opbouwende Europese kracht zijn. Oude vetes en broederoorlogen hebben Europa gedegradeerd tot de speelbal van buiten-Europese machten. We kunnen geen nationalisten zijn, zonder continentalisten te zijn. Laten we dus het voorbeeld van Europese Synergieën volgen en nieuwe banden smeden onder (jonge) Europeanen en Europese nationalisten. Ideologische bloedarmoede, geopolitieke en historische bijziendheid zijn slechts enkele katjes die het nationalistische kamp te geselen heeft.

[1] “Gedurende praktisch twee eeuwen beeldden de Romeinen hun godheden niet af – hoogstens werden zij voorgesteld door een symbool. Het ‘animisme’ zelf – de idee van ‘ziel’ aan de basis van een algemene voorstelling van het goddelijke en de krachten van het universum – komt niet overeen met het oorspronkelijke stadium. Wat ermee overeenkomt, is eigenlijk de idee of de opvatting van zuivere krachten, waarvan de Romeinse opvatting van het numen een van de meest geschikte uitdrukkingen is. In tegenstelling tot de deus (zoals hij daarna werd begrepen) is het numen geen wezen of een persoon, maar een naakte kracht die zich definieert door zijn vermogen om effecten voort te brengen, te handelen, te verschijnen. Het gevoel van de werkelijke aanwezigheid van die krachten, van die numena, zoals iets transcendents en immanents, wondermooi en geducht tegelijk, vormde de kern van het oorspronkelijke ‘heilige’”.Vertaald uit: EVOLA, J., Révolte contre le monde moderne. L’Age d’Homme, Lausanne, 1991, p. 84.

[2] Er splitste zich toen ook een groep af die naar Europa trok en later zou uiteenvallen in Germaanse, Keltische, Italische, Slavische en Baltische stammen.

[3] Meer bepaald de ruimte van de Zee van Azov tot aan China; van het Aral-meer tot Perzië (in het westen) en India (in het oosten).

[4] De “volkspartij” die onder andere streefde naar uitbreiding van het Romeinse burgerschap tot de provincies, kwijtschelding van schulden en landherverdeling.

[5] De “senaatspartij” die bestaande orde wilde bewaren en uitbreiden naar de provincies. Het stemgedrag werd bepaald door de fides (trouw) tussen patronus en cliens, waardoor “ideologie” van weinig belang was. Er woedde onder de verschillende adellijke families die de senatoren leverden wel een strijd om de patronus van nieuwe clientes (uit de provincies) te worden.

[6] O.a. Roxolanen en Jazygen. Ze waren eveneens van Indo-Europese (Indo-Iraanse) afstamming.

[7] De beschermheer van de Christenheid.

[8] Tot in Rijnland.

[9] Tot aan de Alpen.

[10] Door keizer Arnulf van Karinthië in Leuven.

[11] De Senaat en het Romeinse Volk.

[12] De rijksoverdracht van de Romeinen aan de Germanen.

[13] “In een vorig leven als Italiaanse humanist vertaalde hij De Germania van Tacitus en ontwierp hij een geopolitiek project: De Europa. Daarin argumenteerde de latere Paus Pius II dat Europa alleen kon overleven, als het Bohemen en Brabant stevig in handen had. Ergens kunnen we Pius II als een soort oervader van het Duitse en Vlaamse nationalisme beschouwen. Van Tacitus nam hij de idee van de ‘hogere kwaliteit’ van de Noordse volkeren over”. In: “Turkije behoort niet tot de EU!”.In: CLAES, K., BRANCKAERT, J., 2004. Branding sprak met Robert Steuckers (Synergies Européennes, Vouloir): “Turkije behoort niet tot de EU!”. Branding. 27 (1). p 11.

[14] Voor outer en heerd.

22:02 Gepost door gepost door Kris Roman in Geopolitica nederlands | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

28-09-07

Rusland : enkele geopolitieke uitdagingen

Artikel verschenen in tekos nr 119

door Peter Logghe

Nu het thema van de geopolitiek uitgebreid in TeKoS behandeld wordt, is het misschien toch ook nuttig en interessant in te gaan op de nieuwe politieke situatie in Europa en de wereld. We bedoelen het wegvallen van het IJzeren Gordijn en de vervanging van de U.S.S.R. door het oude Rusland. En of we het nu graag hebben of niet, Rusland, of althans het grootste deel ervan, maakt deel uit van het Europese subcontinent en is tevens de brug naar het grote Aziatische continent. Reeds op geografisch vlak maakt of moet Rusland deel uitmaken van een Europees geopolitiek concept. In dit verband willen wij graag verwijzen naar een interessante bijdrage van de hand van R. Steuckers in het recentste nummer van Terre et Peuple (1), een artikel dat wij hier zullen proberen samen te vatten in zijn meest in het oog springende stellingen. Onnodig te zeggen dat wij niet alle stellingen delen, maar ze zijn op zijn minst interessant genoeg om aan u allen voor te leggen.

Rusland is meer dan de U.S.S.R., en was ook niet steeds de U.S.S.R., hoezeer een bepaalde pers – en de termen “links” of “rechts” spelen hier geen enkele rol, zowel een bepaalde conservatieve als een uitgesproken linkse pers doen hier aardig hun duit in het zakje – zich ook inspant om het regime van Poetin en de bevolking in haar totaliteit af te schilderen als een bende criminelen. Er is inderdaad de oorlog in Tsjetjsenië, daar kan men niet onderuit. Maar een bepaalde pers schikt zich toch wel erg gemakkelijk naar de wensen van de V.S.A., die er op uit zijn:

1. om alle machten die een uitdaging zouden kunnen vormen in Azië en Europa te elimineren, het betreft de zgn. rimlands, term van de Angelsaksische geopolitieke wetenschappers (zie vorige bijdragen);

2. om het grote Siberische stuk Midden-Aarde in te sluiten en uit te putten, een enorm groot territorium dat ligt tussen Europa, Indië en China. De kracht die moet uitgeschakeld worden is in dit verband overduidelijk: Rusland.

Rusland is meer dan dat: Rusland speelde een vrij fundamentele rol in de beveiliging van Europa t.o.v. vreemde machten. Rusland is namelijk ook het Rusland van de tsaren, dat erin slaagde Mongolen en Tataren buiten Europa te houden. Het zijn de Kozakken geweest die – beginnend met Tsaar Ivan IV – de gebieden die veroverd werden door allerlei vreemde stammen als de Hunnen, de Avaren, de Khazaren, de Tataren, te heroveren en veilig te stellen. Rusland aan het ene einde, Spanje aan het andere einde van Europa: elk kende zijn Reconquista.

Steuckers meent dat men er rustig kan van uitgaan dat het hoofdobjectief van de Angelsaksische geopolitieke wetenschappers erin bestaat de vernietigende dynamiek van de nomadenvolkeren opnieuw te wekken, want eens het gebied ééngemaakt is, wordt het oninneembaar. Dat althans stelt Zbigniew Brzezinski voorop in zijn werken. Dit meesterstuk op het schaakbord, Midden-Aarde veroveren, dat is het doel.

Er zijn verder ook militaire redenen, merkt de auteur op, die pleiten voor een Euro-Russische alliantie. Carl Schmitt leerde ons dat een continent, een Grossraum, slechts écht vrij is, als geen enkele buitenlandse macht in die ruimte zomaar kan tussenkomen. De interventies van de V.S.A. echter zijn veelvuldig geweest in het verleden, en steeds op belangrijke, koortsgevoelige plaatsen. De interventie van de V.S.A. in de Balkan in 1999 is zo’n belangrijk moment. Maar daarmee eindigt het niet. De moeilijkheden en de revoltes in post-sovjetstaten in centraal Azië, die – zo vernemen wij uit verschillende bronnen, opnieuw “linkse” en “rechtse” – vrij georkestreerd verliepen, hebben de bedoeling om pro-Amerikaanse regimes te installeren, zodat de landen worden losgemaakt uit de grotere verbanden waarvan ze deel uitmaakten: Europa, Rusland, China, India.

Men kan zich de vraag stellen: “Wat is erop tegen als een corrupt, communistisch regime te val komt en de mensen ter plaatse er beter van worden?” En natuurlijk is daar niets op tegen, maar het blijft op zijn minst nuttig en leerrijk te kijken en te vernemen hoe de oranjerevolutie in Oekraïne verliep, en wie er de logistiek van de verzetsgroepen “hielp”. Hetzelfde kan gezegd worden van de Rozenrevolutie in Georgië. De interventies in Eurazië door de Amerikaanse hypermacht passen uitstekend, aldus de auteur, in de definitie die Carl Schmitt gaf aan de ontoelaatbare inmenging van thalassocratieën in de binnenlandse zaken van continentale machten.

Er zijn zeker ook argumenten te geven, die vasthangen aan de energievoorziening, die niet onvermeld mogen blijven. Het gezaghebbende Britse blad The Economist evoceerde onlangs de laatste schokken, bokkensprongen van het geostrategische en geo-economische spel van die oorlog, de energie-oorlog. Het is de grootste gemene deler van de gebeurtenissen in de Balkan, in het Nabije en Midden-Oosten, in Afghanistan en centraal Azië. De algemene noemer is de controle die ieder wil op het tracé van de olieleidingen. Kort samengevat komt het hierop neer dat de V.S.A. niet willen dat deze olieleidingen passeren over het grondgebied van die machten die zij als bijzonder uitdagend ervaren. Tot voor de invasie van Irak in 2003 trok Turkije volop haar anti-Russische, anti-Arabische en anti-Iraanse kaart, die Washington haar voorhield. Dit zou gecompenseerd worden door de terugkeer van de zeer petroleumrijke streek van Mossoel (nu Irak) onder de Turkse soevereiniteit.

De weigering van de V.S.A. om Turkije een deel van de petroleumbronnen van Mossoel af te staan, heeft de bestaande strategische posities, die reeds bestonden ten tijde van de Koude Oorlog in de regio, volledig door elkaar geschud. Zo haalt Steuckers een bericht aan uit het Amerikaanse diplomatieke tijdschrift Turkish Policy Quarterly (lente 2005) dat meldt dat de speciale banden tussen Ankara en Washington – die van dezelfde orde waren als die tussen Washington en London of nog tussen de V.S.A. en Israël – opgehouden hebben te bestaan. Het anti-amerikanisme is in Turkije wijd verspreid en het voornaamste politiek gevoel, menen velen. De nieuwe Turkse politieke wereld gaat nog verder: ze onderhandelt met Rusland, de oude erfvijand, over de doortocht van een olieleiding die Russische olie zou vervoeren van de Russische haven Novorossisk naar Ceyhan via Samsoen aan de Zwarte Zee. Het plan van Amerika om Rusland te isoleren, dreigt op de klippen te lopen door deze plotse Russische ommezwaai.

Idem voor wat het transport van koolwaterstof betreft, en zijn verschillende bewerkingen: dit volgt dezelfde logica als hierboven geschetst. Namelijk verhinderen dat optimale communicatie zou ontstaan tussen het centrum van het Euraziatisch continent en de kustzones van de grote ruimte. Door de rebellie van de Beloutchi’s in het zuidwesten van Pakistan te ondersteunen, proberen Iran en Rusland deze politiek van isolement te doorbreken. De revolte is nog lang niet bedwongen en belangrijke strategen voorspellen zelfs dat voor de richting die het conflict uitgaat, de afloop ervan bepalend zal zijn voor de vrijheid van alle politieke en culturele spelers op het Euraziatisch continent. Dit conflict haalt amper – en dan ben ik nog zeer vriendelijk – de pers. In onze Vlaamse kranten moet ik het eerste woord hierover nog lezen.

Samengevat: de aanleg van een nieuwe olieleiding tussen Rusland en de Middelandse Zee over het Turkse grondgebied, de revolte van de Beloutchi’s in Pakistan, het zijn allemaal gegevens op de grote prikkaart die onze wereld is en die erop wijzen dat niet allen zich zomaa onder de voogdij van de V.S.A. willen plaatsen. De rol van Rusland op het Euraziatische continent is van primordiaal belang, en haar rol is nog niet uitgespeeld. Vlaanderen-Nederland, Europa kan het spel maar beter goed in de gaten houden.

02:20 Gepost door gepost door Kris Roman in Geopolitica nederlands | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |